Robert Capa

Het toeval wil dat in Amsterdam tegelijkertijd tentoonstellingen zijn gewijd aan de twee belangrijkste oorlogsfotografen van hun tijd: Robert Capa (Joods Historisch Museum) en James Nachtwey (Foam). Het zijn indrukwekkende tentoonstellingen, niets helpt beter om de bedoening van je eigen leventje te relativeren.

Het betreft fotografen van verschillende generaties: Capa stierf in 1954, op 40-jarige leeftijd, toen Nachtwey nog pas zes was. Wat ze gemeen hebben, is de nooit aflatende drive om het thuisfront wakker te schudden en te wijzen op alle ellende die – vaak op last van datzelfde thuisfront – elders wordt veroorzaakt.

Capa’s foto’s van de Spaanse burgeroorlog had ik jaren geleden in Lissabon gezien, de rest van zijn werk kende ik niet goed. In Amsterdam zag ik eerst Nachtwey, daarna Capa. Het mag geen wedstrijd worden, maar toch ontkom je niet aan de vraag wie de meeste indruk maakte.

Capa. Daar hoef ik niet lang over te aarzelen. Bij Nachtwey miste ik iets dat ik pas kon benoemen toen ik Capa had gezien. Capa toont meer gevoel voor het menselijke drama achter al het gefotografeerde geweld. Bij Nachtwey domineert iets te veel de technische virtuositeit en de verbluffende esthetiek – je ziet hem bijna denken in ‘mooie platen’.

De schrijver John Steinbeck, een vriend van Capa, schreef na diens dood dat hij de emotie van de oorlog toonde door ‘ernaast’ te fotograferen. „Hij kon de verschrikking van een heel volk tonen in het gezicht van een kind. Zijn camera ving en hield emotie vast.”

Dat gaat zeker voor Capa’s beste foto’s op.

Zijn beroemdste foto is die van een republikeinse soldaat in de Spaanse burgeroorlog, die eenzaam in de kale natuur wordt neergeschoten. Het is net of hij zich nog even staande houdt terwijl hij valt. Een knappe foto, maar Nachtwey had hem ook kunnen maken. Er zijn andere foto’s die kenmerkender zijn voor Capa.

Twee foto’s zal ik niet snel vergeten. Op de ene zien we een Franse menigte een kaalgeschoren vrouw uitjouwen, die een verhouding met een Duitse soldaat had gehad. We kennen die foto’s uit Nederland. Dit type triomfantelijk leedvermaak blijkt universeel. Maar wat de foto zo aangrijpend en uniek maakt, is het kleine kind dat de vrouw in haar armen draagt terwijl ze getreiterd wordt. Zelfs dat kind kan de menigte niet vermurwen.

De andere foto is op Sicilië genomen. Het door de Duitsers fanatiek verdedigde stadje Troina is bevrijd. Een vader staat voor zijn huis, hij heeft zijn dochtertje opgetild, haar been zit in het gips. Let op de moeder – zij kijkt in de deuropening bezorgd toe. Het is een tafereel vol onderdrukte gekweldheid, nog versterkt door het brandende zonlicht.

Op de tentoonstelling is een lange, Franse documentaire over Capa te zien. Wat een leven! Waarom is er nooit een speelfilm over hem gemaakt? Hij was een Hongaarse immigrant in Frankrijk en Amerika , stortte zich in vijf oorlogen, maakte ook D-Day mee, verloor zijn grote liefde in de oorlog, had daarna tal van lossere relaties, onder anderen met Ingrid Bergman, richtte het fotopersbureau Magnum op, en sneuvelde door een landmijn in Indochina.

Zijn foto’s hebben hem nu al langer overleefd dan hijzelf geleefd heeft. Ze zullen ook ons en onze kinderen overleven.