In de ogen van anderen

Even terug in de geschiedenis. Het is 1961. Nederland is in conflict met Indonesië over westelijk Nieuw-Guinea, een deel van het voormalige Nederlands-Indië, dat bij de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië onder Nederlands bewind is gebleven. Indonesië eist het op.

De crisis wordt steeds intenser, en de Nederlandse regering verliest steeds meer internationale, en ook binnenlandse, steun voor haar standpunt dat de bevolking van Nieuw-Guinea, de Papoea’s, zelf moest beschikken over haar toekomst – een recht dat Nederland haar had toegezegd. In die situatie verklaart minister Luns in september 1961 voor de Algemene Vergadering van de VN een beslissing te aanvaarden die duidelijke waarborgen geeft voor het recht op zelfbeschikking.

Voor Luns betekende dit een concessie, want het jaar tevoren had hij zich nog verzet tegen internationalisering van het probleem. Nu zag hij af van zijn illusie dat Nieuw-Guinea kon dienen als basis voor blijvende Nederlandse invloed in Oost-Azië en hanteerde hij internationalisering als middel om Nieuw-Guinea in elk geval aan Indonesië te onthouden.

Het was omstreeks die tijd dat Romme, toentertijd als fractievoorzitter van de grootste partij (de Katholieke Volkspartij, waartoe ook Luns behoorde) Nederlands machtigste politicus – die tussen 1945 en 1949 ook al een rampzalige invloed op het Indonesische beleid had gehad – eens tegen de Nederlandse ambassadeur in India zei ervan overtuigd te zijn dat Nehroe, minister-president van dat land, onder de indruk zou zijn van de redelijkheid van het Nederlandse standpunt.

Ach, wat een illusie! Die ambassadeur zei later eens tegen vrienden dit als een teken van de wereldvreemdheid van Nederlandse politici te zien. Natuurlijk was Nehroe in theorie voor zelfbeschikking, maar hij was er nog meer in geïnteresseerd zelfs de laatste resten van het Europese kolonialisme in Azië kwijt te raken. Hij was bovendien niet van plan India’s invloed op het jonge Indonesië te verspelen ten gunste van een nog zo redelijk plan van een, in zijn ogen, onbetekenend Europees landje – ook niet ter wille van de zelfbeschikking van een paar duizend Papoea’s.

Waarom haal ik deze anekdote uit de kast? In de eerste plaats is de vraag naar de invloed van een klein land dat weinig machtsmiddelen heeft, natuurlijk altijd actueel – of het nu om de Europese ‘grondwet’ dan wel om Uruzgan gaat. Hoe kan zo’n land een standpunt dat het zelf onberispelijk vindt, volhouden? In 1962 heeft Nederland Nieuw-Guinea aan Indonesië moeten afgeven.

Maar de directe aanleiding voor het oprakelen van deze oude geschiedenis was een discussie die stond in de laatste aflevering van het historische kwartaaltijdschrift Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden (BMGN). De redactie had aan twee deskundigen gevraagd hun licht te doen schijnen over het in 2005 verschenen boek van P.J. Drooglever Een daad van vrije keuze. De Papoea’s van westelijk Nieuw-Guinea en de grenzen van het zelfbeschikkingsrecht.

Het was minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen die in 1999 het initiatief voor zo’n wetenschappelijk onderzoek had genomen. Het was immers een publiek geheim dat de volksraadpleging onder de Papoea’s die Indonesië in 1962 had georganiseerd, een wassen neus was geweest en dat de uitslag ervan, die de bestuursoverdracht aan Indonesië moest rechtvaardigen, geenszins de ware gevoelens van de bevolking had weerspiegeld.

Nu zal ik geen oordeel uitspreken over Drooglevers studie (van achthonderd bladzijden), om de simpele reden dat ik haar niet gelezen heb. Daarom kan ik evenmin beoordelen of de kritiek die beide deskundigen – een Australiër en een Nederlander – in de BMGN op die studie hebben, al dan niet juist is. Maar dat maakt lezing van hun recensies nog niet oninteressant.

De Australische recensent is R.E. Elson, hoogleraar in de geschiedenis van Zuidoost-Azië aan de Universiteit van Queensland en auteur van verscheidene boeken over Indonesië, waaronder een politieke biografie van Soeharto (Nederlandse vertaling in 2004). Op zijn recensie wil ik nader ingaan, omdat het altijd belangrijk is te weten hoe Nederlands beleid op buitenlanders overkomt.

Welnu, Elsons artikel is één vernietigende kritiek, niet zozeer op Drooglevers boek alswel op Nederlands Nieuw-Guineabeleid. Dit is „het verhaal van een mislukt imperiaal project: Nederlands aftocht van de status van indrukwekkende imperiale mogendheid naar die van een betrekkelijk onbetekenend klein land in West-Europa”; anderzijds is het de „droeve gelijkenis van machteloosheid en marginaliteit”.

Maar zo droevig is het verhaal niet of Elson ergert zich kennelijk aan „de uitbundige aanspraken en grootspraak, de morele op-de-borst-klopperij, de aanspraken op macht waar geen macht is, de onmeedogende arrogantie, het gebrek aan logica en samenhang”. Het besluit van 1949 Nieuw-Guinea uit te sluiten van de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië noemt hij „dom en rampzalig”. Kortom, een verhaal van „dwaas optimisme en onvermijdelijke neergang”. Alleen het woord ‘zelfoverschatting’ ontbreekt.

Het is duidelijk dat Elson geen enkel geduld heeft met de morele component in het Nederlandse beleid. Weliswaar woog die bij Luns niet zo zwaar (al maakte hij daar handig gebruik van: „Nieuw-Guinea staat aan de rand van onze belangen, maar in het hart van onze beginselen”), maar bij andere ministers en in de Kamer woog die component wél zwaar. In buitenlandse ogen is dit echter vaak niet anders dan schijnheiligheid en morele betweterij. Ook bij Elson blijkbaar.

Het is een oude klacht, daterend van lang vóór Nieuw-Guinea en ook daarna vaak gehoord (overigens meer in memoires dan in het diplomatieke verkeer, waar men altijd beleefd blijft). Natuurlijk wijzen wij die klacht verontwaardigd van de hand, maar aangezien het in de buitenlandse politiek altijd gaat om invloed op anderen, is het raadzaam ermee rekening te houden.