Durimi heeft na vier jaar een schooltje

Durimi, 19 april. - Stamhoofd Jarumi Shapra van Durimi is tevreden. „We hebben er de afgelopen vier jaar in ons dorp een heleboel kinderen bij gekregen. Dat stemt me gelukkig.”

Op een steenworp afstand van de Nigeriaanse hoofdstad Abuja heerst in het dorpje Durimi de serene rust van het platteland. Vlakbij verrees dankzij Nigeria’s olie-inkomsten in de afgelopen dertig jaar de stad Abuja, met een web van driebaanswegen, een moskee met gouden dak, een futuristische katholieke kerk, gigantische overheidsgebouwen, luxe hotels en talrijke villa’s van een fabuleus rijke elite. Abuja is één van de modernste steden van Afrika. Durimi, tien kilometer verderop, is een dorp van sloebers gebleven.

In Durimi noemen ze stamhoofd Jarumi Shapra ‘koning’. Vier jaar geleden bij de vorige verkiezingen bezocht ik zijn dorp voor het eerst. Een paar dagen voor de parlement- en presidentsverkiezingen, aanstaande zaterdag, kom ik er terug. Jarumi Shapra vertelde in 2003 over het leven lang geleden op de boomsavanne, toen de hoofdstad er nog niet was. „We jaagden op olifanten en luipaarden, lang voordat Abuja bestond. We zorgen voor elkaar en hadden het beter toen we onze goden nog gehoorzaamden. Maar dat wil niet zeggen dat we niet bij het nieuwe en moderne Nigeria willen horen. De rijken luisteren niet naar ons”, zei hij toen. De koning is nu oud en ziek. „We brengen hem naar een kliniek enkele dorpen verderop”, vertelt zijn dochter Jumai Madaki. „In Durimi is geen gezondheidszorg.”

De dochter van de koning gaat met een emmer water halen in een stroompje aan het einde van het veld met jamwortels. Poedelnaakte kinderen plenzen er met water, vrouwen kwebbelen en wassen de billen van hun baby’s. Jumai Madaki schept haar emmer vol met water en kikkervisjes. „Bah, wat is het water weer vies vandaag”, zegt ze, „dat komt door de vervuiling in een dorp stroomopwaarts.” Durimi heeft geen waterput, dagelijks klagen de bewoners over buikpijn door het vervuilde water.

Buiten het lemen huisje dat Jarumi Shapra zijn paleis noemt, stampen onder een apenbroodboom twee jonge meisjes met stompen palen het graan fijn in een grote houten pot. Durimi heeft geen molen. En geen elektriciteit. „Op die grote rots”, wijst een jongen, „daar gaan we naar het licht in Abuja zitten kijken.”

Vier jaar geleden had vrijwel geen enkele inwoner ooit de hoofdstad bezocht. „De jongeren durven tegenwoordig wel te gaan”, zegt de zieke koning, „maar wij grootvaders en grootmoeders weten niet hoe we ons daar moeten gedragen. Wij spreken geen Engels, Abuja is alleen voor de rijken.”

De kippen schieten kakelend uit de weg door het geluid van een motorfiets. De leraar Moses Tado komt aangereden en houdt stil bij een lemen voorraadschuur voor yamswortels. De meisjes onder de apenbroodboom kijken vol bewondering en giechelen. In Durimi blijkt de afgelopen vier jaar toch een heel belangrijke verandering te hebben plaatsgevonden: de regering financiert een basisschool. De dorpelingen staken tien jaar geleden de koppen bij elkaar en besloten, op eigen kosten, een schooltje te bouwen. Na de verkiezingen in 2003 ging de overheid de salarissen van de vier leraren betalen.

Onderwijzer Tado is nog lang niet tevreden. „Met dertig kinderen per klas valt moeilijk les te geven”, zegt hij. „Ik heb nauwelijks schoolboeken voor mijn tweehonderd leerlingen.” De scholieren gaan gekleed in vodden en net als de vrouwen van het dorp lopen ze op blote voeten. Alleen de mannen van Durimi dragen teenslippers. Moses Tado heeft het beter, zijn maandsalaris bedraagt tweehonderd euro. „Maar soms duurt het weken voordat de overheid in Abuja me uitbetaalt.”

Jongeren in Durimi namen zich de afgelopen vier jaar voor een salaris en een baantje te zoeken. Misschien kunnen ze vloeren vegen van de rijken in Abuja. Leraar Moses Tado gaat op zijn brommer soms naar de andere wereld van de hoofdstad. „De democratie in Nigeria is beter dan de militaire dictatuur van vroeger”, zegt hij. „Nu moeten we er nog voor zorgen dat de politici zich gaan bekommeren om de armen van het platteland.” En Jumai Madaki, de koningsdochter, wil niet op jonge leeftijd trouwen: „Ik wil nu leren, misschien kan ik wel naar de middelbare school in een ander dorp.”