De vaderlijke vriend en de harde baas

Joop van den Ende is afgetreden als voorzitter van het bestuur van theaterbedrijf Stage Entertainment.

Hij blijft eigenaar en actief bij het repertoire betrokken.

Pionier in Nederland van musicals naar internationaal voorbeeld. Foto HH Nederland,Amsterdam,18-1-06 Joop v.d. Ende terug in de mediawereld. Hij wil 150 miljoen investeren in verschillende bedrijven omdat hij betere televisie wil. foto: Guus Dubbelman/Hollandse Hoogte dubbelman, guus/Hollandse Hoogte

De man die zijn carrière vijftig jaar geleden begon als maatje in het atelier van De Nederlandse Opera, heeft het ver geschopt. Tot zijn 40ste sprak hij geen woord Engels. Nu doet hij zaken met Disney’s Amerikaanse theatertak, en haalde hij al elf maanden na de Broadway-première de musical Tarzan naar Nederland. Hij wist Schumacher ervan te overtuigen dat Tarzan geen kopie moest worden van de Broadway-versie – zoals bij dit soort shows contractueel wordt voorgeschreven – maar meer songs en speciale effecten moest krijgen.

Joop van den Ende (65) geeft grif toe dat hij hard en zakelijk is als dat de voorstelling ten goede komt. Om diezelfde reden kan hij ook hoogst onzakelijke ingrepen doen, die puur op zijn intuïtie steunen. Herhaaldelijk heeft hij op het laatste moment nieuwe arrangementen voor een musical laten maken, als de klank tijdens de repetities hem niet beviel, of scènes laten schrappen of toevoegen. De extra kosten waren nooit een beletsel.

Van den Ende is de onverbiddelijke baas die volgens artiesten en technici een siddering teweegbrengt als hij onverwachts binnenkomt bij een repetitie, en anderzijds is hij de vaderlijke vriend die bij premières voor iedereen een cadeautje meebrengt.

Dat hij in Nederland de pionier van de grote musicals is geworden, heeft Van den Ende te danken aan het tv-bedrijf dat hij in de jaren tachtig leidde. Anders dan andere theaterproducenten kon hij risicovolle theaterproducties financieren uit de winst op de tv-shows. Naarmate de televisie minder ruimte bood voor grote shows met zang en dans, verloor hij zijn interesse in het medium. Sindsdien is hij theaterman.

Vorige week nam Van den Ende afscheid als directievoorzitter van Stage Entertainment, het theaterbedrijf dat hij heeft opgericht en groot gemaakt – tot een internationaal theaterconcern dat in twaalf landen zo’n 5.000 werknemers telt. Van den Ende nam de headhunting voor zijn opvolging zelf ter hand. Het werd Henk Kivits (53), tot voor kort directeur van Holland Casino. „Hij is de ideale man”, zei Van den Ende, „en waarschijnlijk een betere manager dan ik.”

Op alle mogelijke andere manieren blijft Van den Ende nog actief. Hij wil als ‘senior coach’ direct betrokken blijven bij de ontwikkeling van nieuw musicalrepertoire. Hij heeft zichzelf tot voorzitter benoemd van een nieuw opgerichte raad van commissarissen. Hij heeft nog bemoeienis met de twee Amsterdamse theatercomplexen die op zijn kosten worden gebouwd – een nieuw Nieuwe de la Mar-theater met twee zalen en een groot musicaltheater tegenover de RAI – plus het mecenaat van de VandenEnde Foundation. „Ik zal nooit kunnen stoppen met werken,” zegt hij.

Stage Entertainment is nu een bedrijf met een jaaromzet van 600 miljoen euro. Winstcijfers zijn niet bekend, omdat Van den Ende de enige eigenaar is en vorige week zei te hopen dat het bedrijf „in de familie” zal blijven. Voor een beursgang is Stage volgens hem „niet geschikt”. Het bedrijf heeft vanaf het begin winst gemaakt en is er naar eigen zeggen altijd in geslaagd de investeringen te financieren uit eigen middelen. Van den Ende is niet van plan zijn zeggenschap te delen met aandeelhouders.

Die houding kan worden teruggevoerd op de jaren waarin zijn theateractiviteiten onderdeel waren van Endemol, het tv-productiebedrijf dat eind 1993 ontstond uit een fusie van de concurrerende firma’s van Joop van den Ende en John de Mol. Het gevolg was dat Van den Ende voor elke theaterinvestering de instemming moest zien te krijgen van De Mol, die niet in theater geïnteresseerd was. Die constructie heeft Van den Ende destijds danig gefrustreerd.

Geen wonder dat hij besloot de theaterpoot uit Endemol terug te kopen, toen de beursgang van Endemol in 1996 hem zijn eerste fortuin opleverde. Hij legde 169,5 miljoen gulden op tafel en vestigde zich met 80 werknemers in de voormalige Boerhaave-kliniek aan het Museumplein in Amsterdam. De internationale groei hing vooral samen met de wereldwijde handel in opvoeringsrechten van grote musicalsuccessen. Zo lang Van den Ende zich op de Nederlandse markt bleef richten, was hij in de ogen van Amerikaanse en Engelse rechthebbenden geen factor van belang. Zijn onderhandelingspositie was afhankelijk van zijn markt. En naarmate die markt groeide, werd hij vaker voor vol aangezien.

De opkoop van een aantal failliete musicaltheaters in Duitsland betekende de eerste belangrijkste stap. Daarna volgden theaters in Madrid, Milaan, Moskou, Parijs en sinds een paar weken ook in Londen. Stage Entertainment is daarmee Europees marktleider geworden. Waarmee het ook veel makkelijker is geworden de rechten op de grote shows te verwerven. Hij was degene die de Abba-mannen ervan overtuigde dat hun hits in de musical Mamma Mia! in de landstaal moesten worden gezongen. Zijn laatste wapenfeit is het snelle uitbrengen van Tarzan. De versie die nu in Scheveningen wordt gespeeld, staat model voor de Tarzan-producties die Stage hierna in andere Europese landen gaat uitbrengen.

Hoe groot de financiële belangen zijn, blijkt uit het feit dat de voorstelling een investering van 16 miljoen euro heeft gevergd. De ervaring leert dat de productie zo’n anderhalf jaar lang volle zalen moet trekken om quitte te spelen.

Nog liever zou Van den Ende echter de zaken eens radicaal omkeren – door het ontwikkelen van een geheel eigen musical die dermate in de smaak zou vallen dat de Amerikanen en Engelsen in de rij gaan staan om de rechten te verwerven. Pas dan heeft Stage immers de totale beslissingsbevoegdheid, die tot dusver steeds moet worden gedeeld met grote buitenlandse musicalproducenten als Disney en Andrew Lloyd Webber. Twee jaar geleden is daarom een aparte afdeling voor creative development international opgericht. „We moeten meer eigen producties maken”, zei hij, „al was het maar om zelf te kunnen beslissen.”