Zakendoen met criminelen zeldzaam en omstreden

Mag het Openbaar Ministerie een verklaring van een moordverdachte belonen met een lagere strafeis? Juristen uit de academische hoek voelen er niets voor, maar officieren van justitie vinden de wet belegen.

Den Haag, 18 april. - Dagblad De Telegraaf herkende vorige week een oude bekende in het politieonderzoek naar de moord op vastgoedhandelaar Kees Houtman. De informant met wie het Openbaar Ministerie een deal heeft gesloten, en die tijdens het proces zal optreden als belangrijke getuige, probeerde eerder voor 50.000 euro zijn verhaal aan de krant te verkopen. Hij is de vermoedelijke moordenaar van Houtman. De krant ging er niet op in. Maar het parket kennelijk wel. Dankzij de informatie van deze man zou de politie nu mogelijk tien eerdere liquidaties, hoofdzakelijk in Amsterdam, kunnen oplossen. De getuigenis wordt beloond met een strafeis die tot de helft lager kan zijn dan de gebruikelijke eis. En de rechter mag daaraan niet voorbijgaan.

Kan dat zomaar, zakendoen met een verdachte van moord?

Met boeven vang je boeven, is een oude wijsheid uit de politiepraktijk. Daarmee wordt bedoeld de grijze zone van informanten, tipgevers, getuigen en andere ‘relaties’ uit het milieu met wie de overheid zaken doet.

Sinds 1994 accepteert de rechter afspraken met getuigen die in een zaak waarschijnlijk een sleutelrol gaan spelen, doorgaans aangeduid als kroongetuigen. Sinds mei 2005 is de praktijk wettelijk geregeld. Justitie mag onder strenge voorwaarden toezeggingen doen aan informanten in strafzaken. Aan die wet is lang gesleuteld: in 1996 nam minister Sorgdrager de aanbeveling van de commissie-Van Traa in de IRT-zaak over om ‘deals met criminelen’ wettelijk aan banden te leggen. Dat gebeurde nadat het vertrouwen van politiek en publiek in het parket ernstig was geschokt door het grootscheeps ongecontroleerd ‘door leveren’ van harddrugs aan criminelen onder regie van de politie.

Het is een gevoelige kwestie die raakt aan de integriteit van justitie. Het gaat om de vraag of recht te koop is. De essentie van de rechtsstaat dus. Tussen juristen uit de praktijk en academici woedt nog steeds een heftige strijd over de ethiek van deze wet en de bijbehorende ‘Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken’. Voorlopige uitkomst: de praktijk eist meer flexibiliteit, vooral om de zware criminaliteit aan te kunnen. De geleerden vinden het moreel en rechtspolitiek dubieus en alleen bij uitzondering toegelaten.

Sinds de wet in 2005 in het Staatsblad kwam is er nauwelijks gebruik van gemaakt. Het jaarverslag van het parket over 2006 meldt één geval in 2005. De woordvoerder van het landelijk parket meldt dat in 2006 geen afspraken met criminelen zijn gemaakt. En in 2007 kennelijk nog maar één, maar die laat dan ook meteen het ethisch dilemma voluit zien. Een mogelijke moordenaar krijgt een lagere strafeis, zodat andere moordenaars (langer) gestraft kunnen worden.

De wet die deze afspraken mogelijk maakt stelt vele gedetailleerde eisen. Zo moet het gaan om een echt ernstige strafzaak. De getuige krijgt verplicht een advocaat toegewezen bij de onderhandelingen met de officier. De voorgenomen afspraak wordt eerst binnen het parket voorgelegd aan een toetsingscommissie. Daarna mogelijk direct aan de minister. Daarna volgt onafhankelijke toetsing op rechtmatigheid door de rechter-commissaris. Die kijkt of de deal wel ‘dringend noodzakelijk’ is, de zaak zelf van groot belang en de getuige betrouwbaar. Keurt de rechter de deal af, dan gaat die niet door.

De criminele getuige krijgt bij een goedgekeurde deal als tegenprestatie van het parket alleen een maximaal 50 procent lagere strafeis. De officier mag geen geld bieden, geen minder ernstig feit op de dagvaarding zetten, geen uitlevering annuleren, geen financiële vordering intrekken en ook geen verwante zaak seponeren.

Van het Amerikaanse ‘plea bargaining’ is zo in technische zin geen sprake. Er wordt immers niet gemarchandeerd met het delict zelf – de rechter houdt het slotoordeel en controleert. De afspraak staat op schrift en wordt onderdeel van het dossier; de getuige verschijnt in de rechtszaal en kan daar ook worden ondervraagd. De officier legt bij z’n eis in de rechtszaal verplicht uit welke bijdrage de kroongetuige aan de zaak heeft geleverd en welke strafvermindering daarvoor redelijk is. Alles om de rechter en zichzelf maar voor ‘vuile handen’ te behoeden en de afspraak transparant te maken.

Die nogal formele constructie van de ‘deal’ wijkt overigens af van de dagelijkse praktijk, die ruime mogelijkheden biedt om juist flexibel om te gaan met verdachten, getuigen en strafbare feiten. In het strafrecht geldt het opportuniteitsbeginsel. Justitie mag in beginsel kiezen welk delict wordt vervolgd, wie men vervolgt en op welke manier. De voorfase van het strafproces is een supermarkt van keuzemogelijkheden voor justitie èn politie. Seponeren, strafeisen verlagen, hechtenis schorsen, een oogje dichtknijpen, partners ontzien – het zijn allemaal legitieme opties in het verkeer met verdachten en getuigen, dat zich lang niet allemaal in het zicht van de rechter afspeelt.

Critici wijzen er ook op dat voor de eerlijkheid van een officieel ‘gekochte’ bron nooit honderd procent kan worden ingestaan. De rechter zou ook een probleem krijgen. Die wordt geconfronteerd met een uitonderhandeld, door en door gerepeteerd verhaal dat op de zitting nauwelijks meer kan worden getoetst.

Bij het Openbaar Ministerie wordt de regeling intussen weer veel te beperkt gevonden en bestond er aanvankelijk vrees voor creatief oprekken. In 2004 waarschuwde de toenmalige voorzitter van het College van procureurs-generaal, Joan de Wijkerslooth, zijn officieren al dat er ‘tot nader order’ vooral binnen de smalle marges geopereerd moet worden. Hoe lastig dat kennelijk ook zou worden. Hij kritiseerde de ‘rigide houding’ van de wetgever, waarin het wantrouwen tegen politie en OM uit de IRT-periode spreekt.

Veel praktijkofficieren ergeren zich aan de hoge morele toon die de critici aanslaan. Van oudsher worden strafzaken opgelost doordat criminelen informatie aandragen. Het wordt altijd meegewogen, zowel door de verdediging, de aanklager als de rechter. En waarom zou een officiële toezegging aan een getuige opeens justitie minder integer maken? Een afspraak met een verdachte getuige maakt hem of haar ook niet minder betrouwbaar dan een ander. Iedere getuige in een strafproces die dichtbij een crimineel feit zat, pleegt een agenda te hebben en een belang dat z’n betrouwbaarheid beïnvloedt.

Vergeleken met een gewone tipgever, met wie de politie vertrouwelijke (financiële) afspraken mag maken, is een kroongetuige volgens officier Koos Plooij in het blad Trema juist ‘een informant met meer lef. Hij wil niet anoniem blijven, maar openlijk en toetsbaar verklaren, met alle persoonlijke risico’s van dien’. Zo iemand behoort juist beloond te worden.

Deze officieren menen dat de inhoud en de totstandkoming van een getuigenis van een ‘beloonde’ informant volledig door de strafrechter getoetst kan worden. Daardoor wordt aan de zuiverheid van de rechtspleging niets afgedaan: het Openbaar Ministerie kan heus vertrouwd worden. De beloningsregel zal ‘magistratelijk’ worden toegepast. De wet vinden zij gewrongen, beperkt en belegen. De wet sluit aan bij de praktijk noch bij de wens in de maatschappij om zware criminaliteit te bestrijden. Daar wordt de rechtsstaat eerder door bedreigd dan door de ‘crimefighters’ van het parket.