‘Pok, pok, pok’, horen de studenten

Op een universiteit in Virginia werden maandag 32 mensen vermoord.

Oerkreten, bloed en doffe klanken: het verhaal van enkele studenten.

Zack Stutts (18) sjokte maandagmorgen, tien voor tien, naar college natuurkunde. Er stond een gure wind, hij had zijn capuchon op en hij ging zo dicht mogelijk langs de muren van de Norris-hal lopen. Er kwam een raar geluid uit. Doffe klanken. Pok, pok, pok.

Ze zijn zeker chemieproefjes aan het doen, dacht Stutts, een eerstejaars elektrotechniek op Virginia Tech in Blacksburg, de technische universiteit van Virginia, gevestigd in een gebouwencomplex op het zuidelijke platteland van de staat waarover de blauwe gloed van de Blue Ridge Mountains hangt.

Hij wandelde verder, nam een teug van zijn koffie, en daar waren de doffe klanken weer: pok, pok, pok. Het kan ook een oefening van de jongens van werktuigbouwkunde zijn, zei hij tegen zijn vriend Jordan Shift – ook 18. „Bij werktuigbouwkunde doen ze wel vaker gek. Bruggen opblazen en zo. Gaaf.”

De docent natuurkunde kwam niet opdagen. Ze wachtten samen buiten – en ineens merkten ze dat er die ochtend iets sinisters voorgevallen was. „Groepjes van tien, vijftien studenten, de handen op hun achterhoofd, kwamen de Norris-hal uitrennen.” Sommigen hadden van angst in hun broek gepoept. „Ze bleven maar komen. Wéér een groep. Wéér een”, zegt Stutts. En nog steeds hoorde hij het geluid: pok, pok, pok. Pok, pok, pok.

Zwaarbewapende agenten werden aangevoerd. Omzichtig schuifelden ze naar binnen. Ze waren niet op hun gemak, maanden de studenten dat ze weg moesten. „Rennen! Nú!”

Achteraf, zegt Jordan Shift, was het vreemdste dat hij en zijn vriend zich daar niets van aantrokken. Ze bleven bij de hal plakken: brancards werden naar buiten gedragen, gewonde studenten sloegen oerkreten uit. „Het is gênant maar ik kon mijn ogen niet van het bloed afhouden”, zegt Stutts. Pas toen hij het op een rennen zette, begon het te dagen: was elke ‘pok’ een dode?

33 mensen – leraren, medestudenten en één schutter – om het leven gekomen, bij de grootste moordpartij ooit op een Amerikaanse universiteit. Een drama maar ook een raadsel. Veel elementaire informatie bleef verborgen – en veel kritiek richtte zich op de politie en het universiteitsbestuur.

’s Ochtends om kwart over zeven was er een eerste schietpartij geweest in een studentenflat op de campus van Virginia Tech. Twee studenten kwamen daarbij om het leven. De politie was snel ter plaatse maar reageerde niet gealarmeerd.

De indruk bestond dat het om een crime passionnel ging, bleek later op de dag uit verklaringen van de leider van het onderzoek. Volgens getuigen was de schutter de campus ontvlucht.

De universiteit informeerde de studenten om half tien over de dubbele moord. Maar korte tijd later meldde een schutter, mogelijk dezelfde man, zich in de Norris-hal, vijftien minuten wandelen van de studentenflat, waar honderden studenten in verschillende lokalen college volgden.

De schutter, een Aziatisch ogende man, liep de lokalen binnen, deed telkens een slot op de deur, schoot eerst op de docent, en vervolgens op de leerlingen. Hij was een geoefende schutter, bleek later uit getuigenissen. Hij gebruikte twee wapens, vulde de munitie geroutineerd uit een tasje bij, en hanteerde meestal een ritme van telkens drie schoten: Pok, pok, pok.

Veel studenten en docenten in de Norris-hal barricadeerden hun deuren nadat ze – vaak via IM’ing, Instant Messaging – van getuigen begrepen hoe de schutter te werk ging. In de loop van de dag vertelden mensen hoe ze schoten hadden zitten tellen die soms één of een paar kamers verderop werden afgevuurd. Achteraf zeiden ze vaak dat de universiteit eerder melding had moeten maken van de schietpartij van kwart over zeven. Dan zouden ze, zeiden ze, het complex zelf hebben verlaten.

Ook Allison Aldridge (19), student politieke wetenschappen uit Washington, zat bijna de hele dag vast op haar kamer. Ze stond nog na te trillen, vlak nadat haar moeder haar na vijf uur rijden was komen bevrijden. Aldridge had de dag tevoren avondcollege gevolgd en werd laat wakker – van het rumoer in de studentenflat na de moord van kwart over zeven. Omdatze uit het raam agenten zag, belde ze haar moeder, die in een vorig leven bij de FBI werkte.

Nina Aldridge vertelt onthutst hoe ze uit de beschrijvingen van haar dochter opmaakte dat haar kind in gevaar was. „Ik gaf haar opdracht precies te vertellen wat ze zag. Toen wist ik door mijn eigen ervaring bij de politie: ze zoeken een moordenaar.” Ze belde de universiteit: waarom vertellen jullie niets? Geen antwoord. En zo gebeurde het dat Nina Aldridge haar dochter telefonisch verplichtte haar deur te sluiten en barricaderen. „Ik kom nu naar je toe.”

En terwijl haar dochter alleen op haar kamertje afwachtte, stuurde Nina Aldridge haar auto over de lange snelwegen naar het zuiden van Virginia. Ze passeerde reclameborden van de Democraat Jim Webb en de Republikein George Allen, die vorig najaar in een nek-aan-nekrace streden voor een Senaatszetel in het overwegend conservatieve Virginia.

De Democraat Webb – tegenstander van de oorlog in Irak – toonde zich een even vurige aanhanger van vrij wapenbezit als zijn opponent, wat onlangs nog werd onderstreept toen hij vergoelijkend reageerde nadat een van zijn medewerkers bij de ingang van de Senaat met een geladen wapen werd gearresteerd.

Toch hoorde Aldridge op de radio al weer de eerste deskundige aan die de schietpartij toeschreef aan de vrije omgang van Amerikanen met wapens. „Allemaal mensen die niets van Virginia begrijpen”, bijt Aldridge. Het probleem, zegt ze, is niet de wapens, het probleem is de schutter. „Als de studenten allemaal een wapen hadden gehad toen hij binnenliep, zou dit bloedbad zich nooit hebben voorgedaan.”