Overheid was naïef met stemcomputer

Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft zich nooit bekommerd om werking en veiligheid van stemmachines. Zo kregen private partijen invloed op het stemmen. De commissie Hermans legt het falen bloot.

Den Haag, 18 april. - Zolang het niet helemaal mis gaat, is er niets aan de hand. Dat was veertig jaar lang het credo van het ministerie van Binnenlandse Zaken als het om stemmachines ging.

In het gisteren gepubliceerde rapport Stemmachines, een verweesd dossier beschrijft een commissie onder voorzitterschap van oud-minister Loek Hermans (VVD) hoe het ministerie zich tot vorig jaar nauwelijks bekommerde over de het toenemende gebruik van stemmachines bij verkiezingen, en door gebrek aan kennis en interesse het heft volledig uit handen gaf aan de leveranciers van stemmachines. Terwijl dat verkiezingsproces „een onvervreemdbare kerntaak van de overheid is”, schrijft de commissie.

De commissie – die de geschiedenis van het gebruik van stemmachines moest onderzoeken – was ingesteld nadat vlak voor de Tweede-Kamerverkiezingen in november vorig jaar politieke ophef ontstond over het gebruik van stemmachines. De actiegroep wijvertrouwenstemcomputersniet.nl toonde aan dat stemmachines makkelijk te kraken zijn. Uitgebrachte stemmen konden worden ‘afgeluisterd’.

Vanaf het eerste gebruik van stemmachines gaat het al mis. In 1966 worden in dertien gemeenten de eerste stemmachines gebruikt. „Het wordt een puinhoop”, schrijft Hermans. Toch legt het ministerie geen enkele eis op aan het gebruik van stemmachines.

Dat blijft zo tot 1997. Welke technieken gebruikt mogen worden, hoe het stemgeheim en de betrouwbaarheid van uitslagen gegarandeerd worden, hoe de machines beveiligd worden, het wordt allemaal aan de makers van stemmachines overgelaten. Ze ontwerpen wat ze willen.

In 1990, schrijft de commissie, beseffen de Kiesraad en het ministerie dat „dit geen houdbare situatie is”. Omdat niemand op het ministerie genoeg van techniek weet, wordt het keuringsinstituut TNO ingeschakeld.

TNO schrijft een programma van eisen voor stemmachines. Daarin benadrukt TNO hoe belangrijk het is om de ontwikkeling van software voor de machines te controleren, wil je weten hoe betrouwbaar die is. De commissie schrijft dat er „tot op de dag van vandaag” bij de ontwikkeling door niemand wordt meegekeken.

Niemand heeft het dan nog over het probleem dat „betekenisvolle hertelling” van stemmen met de gebruikte stemmachines onmogelijk is. Met andere woorden: als iemand zwakheden in de beveiliging van stemmachines gebruikt om stemmen te vervalsen, kan je dat achteraf nooit controleren.

Het duurt zeven jaar voordat de eisen van TNO in regels worden omgezet. Nog steeds heeft het ministerie geen enkel zicht op het controleren van stemmachines: het laat de keuring over aan TNO, dat daarmee moet toezien op naleving van de zelf opgestelde regels. Keuringsrapporten van stemmachines krijgt het ministerie niet. Een briefje van de fabrikant dat een bepaald type is goedgekeurd, is voor de ambtenaren genoeg.

Over de nieuwe regeling van 1997 schrijft de commissie: „De minister kan geen eisen stellen, weet niet hoe de machines werken en hoe de keuringen verlopen. Het controle-instrument van hertelling wordt niet nodig geacht. Er zijn geen regels voor opslag, transport en beveiliging van stemmachines.”

Een jaar later zijn er weer verkiezingen. De gebreken van de splinternieuwe regeling komen direct aan het licht. Staatssecretaris Kohnstamm (D66), op dat moment verantwoordelijk, vindt dat het hertellen van stemmen mogelijk moet zijn en dat ook de software voor het berekenen van uitslagen gecontroleerd moet worden (fabrikant Nedap had dat met succes uit de nieuwe regeling geweerd). Al die dingen zijn tien jaar later nog niet geregeld.

Datzelfde geldt voor de monopoliepositie van het bedrijf dat die software levert, Groenendaal Bureau voor Verkiezingsuitslagen. Zijn software wordt nooit gecontroleerd en hoeft aan geen enkele regel te voldoen. Tegen de commissie verklaart Kohnstamm later de positie van Groenendaal „altijd doodeng te hebben gevonden”. Het bedrijf kan zijn gang gaan, en die ruimte neemt het ook. De commissie beschrijft hoe Groenendaal in 1997 een brief naar de vier grote politieke partijen schrijft: of ze niet meer dan dertig kandidaten op de lijst willen zetten, omdat dat problemen oplevert voor de stemmachines. De Kiesraad, als opdrachtgever formeel verantwoordelijk voor Groenendaal, is „gevangen” door het bedrijf.

Als de actiegroep in 2006 in actie komt, is het over met de passiviteit van het ministerie. De hoogste ambtenaar „maant zijn ambtenaren minder naïef te zijn”. De decennialang bekende, maar nooit opgeloste problemen worden nu openlijk besproken.