Na het pensioen wacht de fauteuil

Mensen die met pensioen gaan, gaan minder bewegen.

Dat is strijdig met het idee dat we niet sporten omdat we het door het werk zo ‘druk-druk-druk’ hebben.

Wie met pensioen gaat, mist voortaan de lichaamsbeweging tijdens het dagelijkse woon-werkverkeer. En bij sommige mensen vervalt ook de lichaamsbeweging tijdens het werk. Dat verlies aan activiteit weten de gepensioneerden bij lange na niet te compenseren door meer te wandelen, fietsen, tuinieren en op de kleinkinderen te passen. De lichaamsbeweging bij het woon-werkverkeer nam gemiddeld met 70 procent af, terwijl de sportactiviteiten maar 10 procent stegen.

Dat blijkt uit onderzoek van de arts Annabelle Slingerland van de afdeling cardiologie van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Zij gebruikte de gegevens van een studie die dertien jaar geleden in Eindhoven en omgeving begon om de lichamelijke activiteit tijdens de overgang van werkende naar gepensioneerde te meten. Het onderzoek is vorige week online gepubliceerd in het American Journal of Epidemiology.

„Eigenlijk is het heel gek”, zegt Slingerland over haar conclusies, „want als je met pensioen gaat, heb je de kans van je leven om meer te gaan bewegen. Daarvóór heb je geen tijd. Daarna heb je alle tijd.” Tijdens het gesprek op de kamer van haar onderzoeksleider cardioloog prof. Wouter Jukema komt Slingerland er al snel voor uit dat ze „marathons loopt en de Mont Ventoux befietst”. Jukema: „Voor de algemene bevolking gaat het daar dus niet om. Het gaat om bewegen, niet om intensief sporten. Voor de ontspanning, voor de sociale contacten en omdat het zo gezond is.”

Het Nederlandse onderzoek is het eerste, ook internationaal gezien, waarin bij één groep mensen over langere tijd naar de verandering van lichaamsactiviteit in de tijd rond de pensionering is gekeken. De basis vormt het GLOBE-onderzoek (‘Gezondheid en LevensOmstandigheden van de Bevolking van Eindhoven en omgeving’), van de afdeling maatschappelijke gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. In 1991 is bij ruim 27.000 15- tot 74-jarigen een uitgebreide vragenlijst afgenomen over leef-, werk- en woonomstandigheden. In 2004 zijn na een nieuwe enquête bijna duizend mensen geselecteerd die in 1991 werkten en waarvan nu duidelijk is dat ze nog steeds werken (bijna driehonderd mensen), of inmiddels gepensioneerd zijn (bijna zevenhonderd).

De deelnemers aan het GLOBE-onderzoek haalden bij lange na de norm voor gezond bewegen niet. Niet in 1991, en helemaal niet bij de herhalingsenquête in 2004. Die norm is vijf keer een half uur wandelen of sporten per week. De hoger opgeleiden die aan het GLOBE-onderzoek meededen, ‘scoorden’ hun meeste lichaamsbeweging tijdens sport en vrije tijd. De lager opgeleiden bewogen vooral van en naar het werk en soms tijdens het werk, als ze handenarbeid verrichtten. Maar het was te weinig, volgens de norm.

„De overgang van werken naar pensioen wordt, uit gezondheidsoogpunt, dus niet goed gemaakt”, concludeert Slingerland. „Terwijl toch bekend is dat deze transities in een mensenleven het aangrijpingspunt zijn om veranderingen te bewerkstelligen.”