‘Joris bewijst dat het wél kan’

Is berichtgeving uit een dictatuur echt onmogelijk? Hoofdredacteuren gingen gisteren in debat met oud-correspondent Joris Luyendijk over zijn kritiek op de journalistiek.

Om te beginnen wilde Joris Luyendijk twee misverstanden uit de wereld helpen. Ten eerste moet uit zijn boek Het zijn net mensen (2006) niet de conclusie getrokken worden dat journalisten maar niet meer moeten proberen hun werk te doen in dictaturen. Bovendien is het niet zo dat de journalisten die het Nederlandse publiek een „gefilterd, vervormd, gemanipuleerd, versimpeld en partijdig” beeld voorschotelen, zoals hij schrijft, hun werk niet verstaan.

Integendeel, zei de voormalige Midden-Oostencorrespondent in het uitverkochte Muziekgebouw aan ‘t IJ. Juist als een correspondent alle journalistieke „codes” in acht neemt draagt hij buiten zijn schuld bij aan de vertekening van de werkelijkheid. Hoor en wederhoor, het dubbelchecken van feiten zijn technieken die werken in democratieën, maar in dictaturen onmogelijk zijn.

Luyendijk (1971) was van 2000 tot en met 2003 werkzaam voor NRC Handelsblad in Israël en de Arabische wereld, waar hij indringende ervaringen opdeed voor dit boek. De reacties van collega’s tot nu toe vielen hem tegen. ‘Dan moet een journalist maar harder zijn best doen, alternatieven zijn er niet’, klonken die in het algemeen. Maar dat was niet zijn punt, en dus organiseerde de Volkskrant gisteren een debat tussen Luyendijk en de hoofdredacteuren Hans Laroes (NOS), Pieter Broertjes (de Volkskrant) en Birgit Donker (NRC Handelsblad, nrc. next).

Volgens Luyendijk moeten journalisten veel opener zijn over hun beperkingen. Niet alleen de onbetwiste feiten presenteren, maar ook opschrijven of in beeld brengen hoe de partijen de werkelijkheid proberen te beïnvloeden. „Met een minuutje voor de Israëliërs en een minuutje voor de Palestijnen kom je er niet”, zei hij. „Soms is het belangrijkste om te zeggen dat je iets niet kunt weten.” Donker zei dat „Joris er zelf het voorbeeld van is dat het wél kan”, door met voorbeelden uit de maatschappij de politieke werkelijkheid te illustreren.

Journalisten zouden ook moeten vertellen dat er dictaturen en conflictgebieden zijn waar ze geen toegang tot hebben, vindt Luyendijk. Dat de Noord-Koreaanse bevolking wordt uitgehongerd door het regime in Pyongyang lezen we nauwelijks, terwijl vorige zomerde oorlog in Libanon met veel minder slachtoffers meer aandacht kreeg. Maar over de vraag hoe nieuwsrubrieken die beperkingen moeten brengen, werden de hoofdredacteuren en Luyendijk het niet eens. „Ik kan daar moeilijk een dagelijks rubriekje voor inruimen”, aldus Broertjes.

Luyendijk stelde ook de definitie van nieuws aan de orde. We beschouwen nieuws te veel als „dat wat afwijkt van het dagelijks leven”. Hij haalde een Amerikaan aan die dacht dat het in Nederland levensgevaarlijk is, omdat hij alleen leest over politieke moorden, het euthanasiebeleid en de pedofielenpartij. „Zo denken wij in Nederland dat er in Koeweit alleen woeste mannen met baarden wonen”, aldus Luyendijk. Een journalist die een dergelijk beeld schetst van Nederland doet zijn werk gewoon niet goed, stelde Laroes daar tegenover. „Het werk van correspondenten en redacties is niet zozeer een filtering van het nieuws, als wel een selectie”, en daarbij komt het aan op ervaring, en, toch, op vakmanschap.

Het gezelschap was het er wel over eens dat media opener kunnen zijn over hun beperkingen, maar niet over de manier waarop ze die moeten verhelpen. Luyendijk herhaalde meermaals dat hij zelf ook geen oplossing voor handen heeft.