Een zekere blindheid

Samen met een aantal andere Vlaamse schrijvers met een Franse vertaling werd ik uitgenodigd op het Salon International du Livre in Québec. Aangezien alle aanwezigen de Franse taal beter beheersen dan ik, heb ik mij de eerste dagen voornamelijk geschaamd. Daarna werd ik door ziekte geveld. Ik meende al een slecht voorteken te ontwaren toen de caissière die op de luchthaven van Zaventem mijn taxfree gezichtsreiniger afrekende, haar collega meedeelde een grote donkere vlek op haar oksel te hebben ontdekt.

Gisteren bracht ik rillend en zwetend door in een ooit door Edith Piaf beslapen kamer. Dat de Mus zingend en voorzien van sneeuwschoenen opdook in mijn koortsdromen, scheen helend te werken. Vandaag is de koorts verdwenen. Mijn stem helaas ook.

Dat de Québécois een extreem protectionistische taalpolitiek nastreven, was mij bekend. Zo zeggen de stop-borden hier arrêt en heet een hamburger een hambourgois. Dat er procentueel veel meer Engelstalige Canadese kinderen zijn die Frans leren dan Franstalige die Engels leren en dat het vak Engels op middelbare scholen in de stad Québec niet gegeven wordt, was nieuw voor mij. Volgens een lid van onze Belgische delegatie is een zekere blindheid nu eenmaal nodig als men iets wil behouden. I see.

Het hoeft niet te verbazen dat je hier als Belg meermaals geïnterpelleerd wordt over de eigen taalsituatie en je persoonlijke houding tegenover Walen. Ik ben er, eerlijk gezegd, een beetje over uitgepraat.

De fundamenten van de Franse samenleving – liberté, égalité, fraternité – en van de Amerikaanse – life, liberty and the pursuit of happiness – krijgen in Canada een pragmatische wending: peace, order and good government. Voor de Québécois lijkt dat in de praktijk te betekenen dat zij naast taalextremistisch ook erg precies zijn. Voortdurend worden de straten met grote machines schoongemaakt en liggen de robotachtige parkeerwachters op de loer. De halsstarrigheid waarmee orde en netheid hier worden nagestreefd heeft me besmet. Zonet betrapte ik mezelf erop al een half uur lang in de weer te zijn met het omvormen van een handvol sneeuw tot een perfecte bol. Toen ik de laatste oneffenheden voorzichtig wegwerkte, ontglipte de ultieme sneeuwbal mij. De brokstukken bleven achter op een uitkijkpost in de streek van Charlevoix.

Ondanks de neurotische trekjes die uit het straatbeeld vallen af te leiden, maken de Québécois, om nog even verder te gaan met mijn stompzinnige generaliseringen, een eerder ontspannen en aardige indruk. De ruimte die zij tot hun beschikking hebben, heeft daar waarschijnlijk veel mee te maken. Terwijl ik dit schrijf, trekt een helder, besneeuwd en onbebouwd berglandschap aan mij voorbij. Si beau. Misschien was het nog niet eens zo’n slecht idee van mijn geliefde om Québec en Ontario met een camper te doorkruisen. Ik ging er aanvankelijk streng tegenin want heb als kind een campertrauma opgelopen. Levendig herinner ik me hoe het voelt om wagenziek de inhoud van openwaaiende kastjes op te vangen. Bijgevolg had ik mij voorgenomen voor mijn zestigste geen campers meer te betreden.

Maar kijk, nu de omstandigheden ideaal zijn voor het tot bloei komen van de vroegtijdige bejaarde in mij, kunnen we zonder scrupules verder rijden naar de Niagara-watervallen, die wegens de gemiddelde leeftijd van het publiek ‘a place for newly weds and nearly deads’ en de Viagra Falls worden genoemd. Ik heb er zowaar zin in.