Een lenteliefde gevonden op twee matrassen

Met een onbevangen blik kijkt de naar Taiwan uitgeweken filmmaker Tsai Ming-liang naar de armoede en het gerommel in Kuala Lumpur, hoofdstad van zijn geboorteland Maleisië. scene uit de film I don't want to sleep alone (2006) FOTO: Filmmuseum

I Don’t Want to Sleep Alone (Hei yan quan). Regie: Tsai Ming-liang. Met: Lee Kang-sheng, Norman Atun, Chen Shiang-chyi. In: Rialto, Amsterdam; Filmhuis, Den Haag; Plaza Futura, Eindhoven; Lux, Nijmegen.

Filmregisseurs die de straat op gaan om kaartjes te verkopen voor hun eigen films? Hoe vaak zou dat voorkomen? De in Maleisië geboren en de laatste jaren vanuit Taiwan werkende Tsai Ming-liang (1957) vertelde erover op het afgelopen Filmfestival Rotterdam, waar zijn nieuwste film I Don’t Want to Sleep Alone zijn Nederlandse première beleefde. Voor Tsai is het bittere noodzaak om als een handelsreiziger met zijn films op pad te gaan. De internationale filmgemeenschap mag dan unaniem overtuigd zijn van zijn meesterschap, het grotere publiek voelt zich soms onwennig bij zijn films.

De aimabele filmmaker vergt dan ook veel van zijn toeschouwers, maar hemeltjelief wat zijn de meeste filmkijkers dan ook gemakzuchtig, en oh, wat krijg je er bij Tsai veel voor terug als je echt van film houdt.

Voor I Don’t Want to Sleep Alone keerde Tsai, die vorig jaar nog opschudding veroorzaakte met zijn futuristische pornomusical The Wayward Cloud, terug naar zijn geboorteland Maleisië. Hij nam zijn vaste hoofdpersoon, muze en filmische alter-ego Lee Kang-sheng mee en toont hem in een dubbelrol als Maleisische comapatiënt op een spierwit ziekbed en als zieke illegale Chinese arbeider die neerstort op een doorgezakt afvalmatras. Dat matras speelt de andere hoofdrol van de film. Van de slapstickachtige beginscènes tot het transcendente einde.

De eerste keer dat Tsai in zijn geboorteland terugkwam om te filmen keek hij met zijn camera rond als een documentairemaker. Onbevangen filmt hij de armoede en het gerommel in de Maleisische hoofdstad Kuala Lumpur. Dat is een van de redenen dat de film er verboden is. De Maleisische censor wil geen terloopse kritiek zien. En geen andere al te menselijke zaken, als ziekte, dood, seks en erotiek, Tsai’s andere hoofdthema’s.

Maar wat filmt hij vol liefde! De scènes waarin de Bengaalse gastarbeider Norman Atun zich over de uitgeputte Lee Kang-sheng ontfermt, zijn van de grootst mogelijke tederheid. Als vanzelfsprekend schikt hij de sarong om de heupen van Hsiao Kang (de naam van Lee’s personage in al Tsai’s films), helpt hem plassen, wast, voedt en koestert hem. Geen spoor van het ongemak dat de moeder van de andere Hsiao Kang voelt als zij voor haar comateuze zoon moet zorgen, of vrijt met zijn dubbelganger.

I Don’t Want to Sleep Alone werd geproduceerd in het kader van het Mozart-jaar (zie de rubriek Bijzien). De film ademt de rook van Die Zauberflöte. De smog die van tijd tot tijd van Indonesië over Maleisië waait, is even dodelijk als sprookjesachtig. Hij voert de toeschouwer met de personages het rijk binnen van de Koningin van de Nacht. Hier vinden Hsiao Kang, Rawang (Atun) en verpleegster Chyi elkaar. Actrice Chen Shiang-chyi, die sinds Tsai’s film The River uit 1997 het meisje op wie Hsiao Kang steeds verliefd wordt, speelt haar. Zo worden zijn films parallelle werelden, parallel aan elkaar en aan ons alledaagse bestaan.

Mozart is maar heel even te horen in de film. Als het beeld van de slapende Hsiao Kang de film opent. Nauwelijks merkbaar bewegen zijn gesloten ogen. Het helpt ons denken dat alles wat volgt een droom is, waarin de dubbelgangers ook een en dezelfde kunnen zijn. De rest van de film is een en al Papageno, Mozarts zwervende held, vol vogeltjes en lente. Er is geen hoop en heel veel hoop in deze film. Tsai is een milde pessimist. Zijn liefde voor zijn acteur-personages is groter dan zijn verdriet over een wereld waarin mensen door toenemende verstedelijking, globalisering en het verlies van tradities van elkaar en zichzelf vervreemden. Daarom mogen lente en liefde overwinnen.