Een jaar parttime Brits zijn

De traditionele expatformule maakt plaats voor doordeweeks in het buitenland werken.

Dat bespaart de werkgever hoge expatkosten.

Op maandagochtend half acht nam Han van Loenhout de eerste vlucht naar vliegveld City Airport, nabij Londen. Om op donderdagavond laat terug te keren naar huis. Doordeweeks werkte hij vier dagen in Londen en Wolverhampton, en verbleef in hotels. De weekenden was hij thuis, bij zijn vrouw, zijn twee honden en twee katten. Eind maart rondde Van Loenhout (45) voor Capgemini zijn IT-project af bij een klant in Groot-Brittannië en kwam na anderhalf jaar een eind aan zijn doordeweekse verblijf in het buitenland.

Van Loenhout koos voor deze parttime expatconstructie, in plaats van echt te emigreren. „We hadden net een huis gekocht. We zouden erop verliezen door het zo snel al te verkopen. Verhuren leek ons alleen maar ellende. Bovendien wilde mijn vrouw haar baan niet opzeggen.”

Het komt steeds vaker voor dat werknemers met internationale opdrachten ervoor kiezen alleen doordeweeks in het buitenland te verblijven, en in eigen land te blijven wonen. Dat constateert Nannette Ripmeester, directeur van expatadviesbureau Expertise in Labour Mobility. „De traditionele expatformule, waarbij het hele gezin voor een paar jaar emigreert, begint sinds twee jaar plaats te maken voor dit parttime in het buitenland werken”, aldus Ripmeester.

Ook cijfers van het Amerikaanse GMAC, dat expats en hun werkgevers adviseert en jaarlijks onderzoek doet naar wereldwijde ontwikkelingen in expatriatie, laten zien dat dit commuten (zoals de expats het zelf noemen) de norm wordt. Uit de meest recente cijfers, van 2005, blijkt dat 62 procent van de onderzochte bedrijven in Europa, Amerika en Azië naar alternatieven zoekt voor de expatformule, waaronder de oplossing om alleen doordeweeks in het buitenland te werken. Dit was een stijging van zeven procent ten opzichte van het jaar ervoor.

Volgens Ripmeester leidden de aanslagen van 11 september 2001 tot een bezinningsperiode voor werkgevers. „Wegens veiligheidsoverwegingen en de economische recessie werden daarna minder expats uitgezonden. Dat was een aanleiding om het expatbeleid eens kritisch onder de loep te nemen.” Het resultaat: de oude expatformule was in veel gevallen niet meer ideaal. „Emigreren met het hele gezin bleek te duur en onpraktisch te zijn. Er werd steeds meer op projectbasis gewerkt. Werknemers werden voor een paar maanden, een half jaar of een jaar uitgezonden. Dat bleek handiger en goedkoper”, zegt Ripmeester.

Maar ook de werknemer zelf heeft de trend naar het ‘parttime expatschap’ beïnvloed. Veel partners van expats, volgens GMAC nog steeds in bijna 80 procent van de gevallen een vrouw, willen namelijk hun leven in Nederland niet meer opgeven voor een expatbestaan. „De vrouw heeft ook een carrière. Die geeft ze niet zomaar meer op. En de kinderen wil ze niet van school halen”, aldus Ripmeester.

Maayke van Houdt, manager internationale personeelszaken bij TNT, merkt eveneens die toenemende terughoudendheid bij partners van de expats. Daarnaast spelen volgens haar ook andere ontwikkelingen een rol: „De laatste jaren zijn we actiever geworden in naburige landen als België en Duitsland. Daar zijn de projecten korter. Omdat er fiscale veranderingen plaatsvonden waarbij onze mensen in die landen belasting moesten afdragen, werden we gedwongen kritisch naar ons internationale beleid te kijken.”

De kostenbesparing voor de werkgever zit vooral in het beperkte pakket aan voorzieningen dat de doordeweekse expat nodig heeft vergeleken met de voltijd emigrant. Een vlucht, eten en hotel volstaan. Ook verblijven de doordeweekse expats vaker in een eenvoudig huurappartement dat ze delen met collega’s. De dure verhuizing, huisvesting en scholing van het gezin van de expat zijn niet meer nodig. Mochten de werknemer en zijn partner toch willen emigreren, dan moet het stel vaak zelf voor die kosten opdraaien. „Het idee is juist dat het leven in Nederland door kan blijven gaan. Als daarvan wordt afgeweken, zijn de kosten voor de werknemer”, verklaart Ripmeester.

Zo ook bij Capgemini, waar iedere consultant wel op internationale projecten terecht kan komen. In het buitenland werken hoort bij het vak. „Alle consultants hebben een laptop en een mobiel. Ze kunnen een webcam krijgen als ze dat willen en hebben overal in de wereld toegang tot het intranet, met informatie over de landen en steden waar het bedrijf actief is”, zegt Henk Wesselo, directeur strategie en personeelszaken. Het bedrijf kent geen uitgebreide voorzieningen voor expats.

Hoewel werknemers er vaak zelf voor kiezen alleen doordeweeks in het buitenland te verblijven, is het desalniettemin een zwaar bestaan. „Ik maakte lange dagen en als ik vanuit Londen ook nog eens met de trein naar Wolverhampton moest, was dat wel pittig”, erkent ICT’er Han van Loenhout. „Maar je went eraan, je leert je te ontspannen in de trein.” Ripmeester adviseert bedrijven hun expats na vijf, zes jaar terug te halen en in eigen land aan het werk te zetten. „Ik heb zelf zeven jaar voor de Europese Commissie in Brussel gewerkt. Dat was spannend. Ik verbleef elk weekend in een andere stad. Maar na verloop van tijd begon het zijn tol te eisen en had ik behoefte aan rust.”

Van Loenhout had nog best wat langer willen doorgaan met zijn commutersbestaan. „Maar de afspraak met mijn vrouw was: maximaal anderhalf jaar. Zij was het beu verantwoordelijk te zijn voor onze honden en katten. Jammer, maar ik begrijp het wel.”

Kijk om meer te lezen over de voor- en nadelen van parttime expat zijn op www.expatica.com en zoek op ‘commute’