De Champions League van geluk en tevredenheid

Cambridge University vroeg twintigduizend bewoners van vijftien Europese landen om met een cijfer tussen 1 en 10 aan te geven of ze zich gelukkig voelden, en zo ja waarom dan in godsnaam. En hoe tevreden ze waren. „De scores werden gecombineerd met de resultaten van een uitgebreide enquête door psychologen”, luidde een krantenbericht. Daar werd ik niet meteen wijzer van.

Waarom organiseren wetenschappers eigenlijk steeds zulke ambitieuze onderzoeken naar onderwerpen die je niet kunt meten of wegen? Aangenomen dat je van wetenschappers mag spreken natuurlijk. Daar begin ik altijd een beetje aan te twijfelen zodra er sociologen en psychologen in het spel zijn. Optellers en aftrekkers, tenslotte. Zouden ze in die vakken ook wel eens worteltrekken, of iets in het kwadraat verheffen?

Ze noemen hun discipline waarschijnlijk ook niet voor niets sociale wetenschappen. De aanduiding doet me me altijd denken aan wat ik jaren en jaren geleden in de etalage van een ouderwetse speelgoedwinkel, waar ze nog veel blik verkochten, bij een gladde, felgekleurde truck zag staan: real plastic.

Ik bedoel: wat doen ze in Cambridge als de antwoorden van twintigduizend mensen uit vijftien Europese landen binnen zijn? Turven.

Misschien zouden de uitkomsten nog een zekere betekenis krijgen als je er de cijfers naast kon leggen van soortgelijke onderzoeken uit het begin van de jaartelling, of laten we bescheidener zeggen van twee of drie eeuwen geleden. Het is wetenswaardig dat kanker in de negentiende eeuw nog niet vaak voorkwam, omdat de meeste mensen bijtijds aan de vliegende tering waren gestorven. Of dat in die tijd iemand van 1,75 al doorging voor een lange sladood, want 1,60 meter was al een heel eind. Of dat het in april 1880, toen Jacques Perk z’n Mathilde-cyclus nog niet eens af had, net als altijd in april, vroor dat het kraakte.

Maar we hebben betrekkelijk weinig cijfers uit die dagen, en zeker niet over zulke onstoffelijke zaken als geluk, chagrijn, misnoegen, liefde of haat. De sociologie moest tenslotte nog worden uitgevonden. En niemand zou hebben begrepen wat we bedoelden als we over menselijk ‘welzijn’ waren begonnen.

Driemaal raden wie als kampioen gelukkig&tevreden uit de bus van Cambridge zijn gekomen?

Wie anders dan de Scandinaviërs. De Denen voorop. Op de voet gevolgd door de Finnen en de Zweden.

Wanneer is hun opmars eigenlijk begonnen? Ik herinner me uit de jaren zestig van de vorige eeuw een essay van een Franse socioloog die tot een even mooie als beknopte maxime was gekomen: „Zuidelijke volkeren”, schreef hij, „doden elkaar, noordelijke doden zichzelf”. Of hij dat via een massaal onderzoek had geturfd weet ik niet meer, maar het leek helemaal te kloppen. Ik kwam in die dagen nog wel eens in Stockholm, en daar waren de platte daken van alle openbare gebouwen met hoge hekken afgerasterd, omdat de bezoekers er anders als lemmingen af zouden springen. Herman Brood zou daar, in die tijd, nog geleefd hebben.

Maar de wedstrijd schijnt gekanteld te zijn. Ingmar Bergman maakt geen films meer, en het Zweedse zelfmoordcijfer is drastisch gezakt, zelfs ten gunste (als je dat zo mag zeggen) van de mediterrane medemens, die nu geloof ik de wereldtop nadert. En sindsdien winnen Denen, Zweden, Noren en Finnen jaar in jaar uit de prijs van gelukkigste Europeanen.

Wij zijn als vijfde geëindigd. In de categorie tevredenheid overigens als zesde. Kan dat? Kan een volk inderdaad een fractie ontevredener zijn dan gelukkig? Daar zou ik eigenlijk dat hele onderzoek voor moeten analyseren, want het is natuurlijk niet onmogelijk dat de uitgebreide enquête van de psychologen nog helderheid verschaft.

Maar wel raar. Dat het toch niet de Dapperstraat is geworden. Domweg gelukkig in Jutland?