‘Daar is ze wéér’, sist de producer van CNN

Na de dag van de moord op 32 studenten volgde gisteren in het Amerikaanse Blacksburg de dag van de rouw. Duizenden konden zich laven aan de massale aandacht. Een enkeling zat stil voor zich uit te schelden.

Jason Wylkes (23) wrijft in zijn handen. Hij zit in DX Express, een snackbar op honderd meter van de plaats waar gisteren de rouwplechtigheid zou worden gehouden. Zojuist heeft hij een lunch gehaald. Een plastic bakje dog corn nuggets – worstjes met een gefrituurd korstje –, een lading zoetzure mosterd, witbrood en een flesje Dr Pepper. Lekker? „Eén van mijn favorieten.”

Het is een half uur voor de herdenking van de 33 slachtoffers van de schietpartij maandag. „Ik ga niet”, zegt Wylkes, een spichtige vierdejaars bouwkunde in het studententenue: sporttrui, halflange broek, slippers, geen sokken.

De bedoelingen van de organisatoren zijn goed, zegt hij. Dat president Bush komt kan hij ook wel waarderen. Maar de overweldigende aanwezigheid van de media geeft hem een ongemakkelijk gevoel. „Ze doen hun werk, dat is prima”, zei hij. „Maar ze nemen ons leven over. Dus ik pas even.”

Het is een zeldzaam tegengeluid in de massale openbare rouw gisteren op de campus van de technische universiteit Virginia Tech in Blacksburg, Virginia. In tegenstelling tot Wylkes laten de meeste aanwezigen merken dat ze prijs stellen op de aandacht voor hun verdriet. Sommigen laven zich er aan. En enkelingen – betraande gezichten, gedragen verklaringen, foto’s van vermoorde vrienden in de aanslag – eisen de camera’s bijna op. „Daar is ze wéér”, sist een producer van CNN als een meisje zijn ploeg voor de derde keer aanspreekt.

Jason Wylkes zegt dat hij zijn weerzin zal uitleggen. Hij belt een vriend in het Ambler Johnston-gebouw, AJ in de woorden van de studenten, de flat waar maandagmorgen, kwart over zeven, de eerste doden van het bloedbad vielen. Alleen de tweede verdieping, waar de schoten werden gelost, is afgesloten. De vriend liet het bezoek binnen mits de verslaggever geen vragen zal stellen. „We willen hier alleen stille media.”

Er heerste een ogenschijnlijk alledaagse sfeer. Op de meeste etages hangt tegenover de lift een poster, ‘Jerk Alert’, met aansporingen die herinneren aan de Bond zonder Naam: If you can’t do anything nice, don’t do anything at all. In de donkere gangen lopen giechelende meisjes met mobieltje aan de oren over jongens te roddelen. Sommige studenten zijn alweer achter de boeken gekropen.

Maar de meesten liggen achterover in een zithoek aan het eind van de gang, waar ze momenten van agressieve woede („klote-Koreaan”) afwisselen met melige grappen over president Bush („weinig taalfouten vandaag”). Ook de rest van het leven passeert. De softpornosterretjes van GGW, Girls Gone Wild, zouden komend weekeinde in Blacksburg optreden: „Gaat GGW nou nog door?”

„Dat is rouw”, zegt Wylkes als we weer buiten stonden. „Je smaalt wat. Je vloekt, je lacht.” En televisiekijkers willen vooral tranen en veerkracht zien, beaamde hij. „Studenten weten dat ook wel, die spelen het spel gewoon mee.”

Zo was er gisteren naar binnen en naar buiten gekeerde rouw. De extraverte variant kwam ook uitvoerig in beeld toen zich ’s middags de officiële rouwceremonie voltrok met de president, de gouverneur van Virginia, kerkleiders en andere hoogwaardigheidsbekleders. In het footballstadion waar een deel van het publiek zat, kon men meekijken naar de keuze van de regisseur. „Vandaag hebben we het gevoel van vrede verloren dat bij studeren hoort”, zei de vicevoorzitter van Virginia Tech – in beeld: huilende studenten. „Voorkom dat je het slachtoffer van gisteren wordt”, zei gouverneur Kaine – beeld: kranige meiden. „Don’t be overcome by evil, overcome evil by good”, aldus Bush – beeld: jongens die de armen over elkaars schouders gooien.

’s Avonds komt dezelfde combinatie van kwetsbaarheid en kracht tot uiting in de Amerikaanse variant op de stille tocht. De campus is afgeladen, geen parkeerplaats meer te krijgen, er zijn tranen en duizenden kaarsjes. En er is een verheven gezongen lied voor de indruk van optimisme en veerkracht. Amerikaanse media komen woorden van bewondering tekort. „Jullie waren indrukwekkend”, zegt een cameraman van NBC na afloop tegen een groepje vrouwelijke studenten.

Aan het begin van de avond, zonder camera’s in de buurt, is in de United Methodist Church de binnenkant van de Amerikaanse rouwverwerking te zien geweest. Circa tachtig mensen – merendeels uit het veld geslagen studenten en ouders van vermoorde kinderen – tonen elkaar hun zwakheden: de wraakzucht, haat en destructiedrang die na maandag zijn vrijgekomen. En God wordt uiteraard aangewezen als degene die hen van deze dwaalwegen af zal houden.

Hier geen permanent vertoon van openbare nobelheid. Hier schrijnende pijn, gesnotter, niet-geacteerde woede. „Hou mij tegen”, zegt een vrouw die plotseling opstaat – en het kerkvolk belooft haar dat. Velen volgden met soortgelijke verzoeken.

Amerikanen, zegt pastor Reggie Tuck na afloop, doen zich voor de camera’s nobeler voor dan ze zijn. Niets bijzonders: zo is iedereen. Maar er zijn hier erg veel camera’s, zegt hij, en al die aandacht sluit aan bij de egocultuur die in de VS zo’n vlucht heeft genomen. „Na een drama als dit heeft de uitvergroting van onze nobelheid een gevaarlijke kant. Het brengt ons dicht bij degenen die wij het meeste verafschuwen: de schutter. Daar staan wij hier bij stil. En u hebt het gezien: mensen gaan er volledig in op – zolang de camera’s er niet zijn.”