Aziatische krijtlijnen

Betrekkingen en allianties in Azië zijn in zekere zin bijzonder ouderwets. Het doet soms denken aan verhoudingen tussen de grote mogendheden een eeuw geleden – met staten die elkaar beloeren, verdragen sluiten en vanuit de kanselarijen grote politiek bedrijven. Soms oogt het als Spielerei voor grote mensen, maar het kan ook gaan om oorlog en vrede en dus reusachtig uit de hand lopen.

En zoals Nederland dat een eeuw geleden zonder er verder al te veel bij na te denken zag gebeuren in Europa, met grote mogendheden als Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland, zo ziet Europa dat nu betrekkelijk onaangedaan en vanuit de verte gebeuren in Azië. De emotie van de opzichtige brandhaarden ligt voor de Europeaan dichterbij – in het Midden-Oosten. Terwijl het Westen daardoor wordt geobsedeerd, zijn Aziatische grote mogendheden bezig hun verhoudingen te definiëren, invloed te vergroten en grenzen af te tasten.

Het grote aftasten speelt zich af in de driehoek China-Japan-Verenigde Staten. Anders dan Europa kan Amerika zich als grote mogendheid in de Stille Oceaan afzijdigheid niet veroorloven – het heeft er belangen en verdragen te verdedigen. En een deel van het Amerikaanse kiezersvolk voelt zich direct bedreigd door de opkomst van China, zodat dit een Amerikaanse president ook niet onverschillig kan laten. De politieke elite is er verdeeld: voor de neoconservatieven en de klassieke realisten is een Koude Confrontatie met China onvermijdelijk, voor de internationalisten in het Amerikaanse buitenlands-politieke establishment is er ruimte om met China aan collectieve stabiliteit te werken.

Feit is dat China over drie jaar tweemaal zoveel onderzeeërs heeft als Amerika en over acht jaar een even grote vloot (aldus de Congressional Research Service). Het Amerikaanse publiek wordt ondertussen overspoeld met boeken over de opkomst van China, de bedreiging en de relatieve neergang van Amerika. Eigenlijk precies zoals twintig jaar geleden, maar toen was het niet China maar Japan dat met zijn stormachtige industriële ontwikkeling en zijn bureaucratische machinerie Amerika weg zou vagen.

Met Japan is het anders gelopen en juist deze tweede economie van de wereld zoekt naarstig naar nieuwe veiligheid en een nieuwe rol. Anders dan voorspeld raakte het land meer dan vijftien jaar economisch in het slop. De luchtballon van overprijsd onroerend goed liep leeg, banken gingen door een dal van ijzingwekkend slome hervormingen en geld lenen was jarenlang gratis – zo gering was het animo tot investeren.

Die tijd is voorbij en mede dankzij de enorme Chinese vraag is Japan uit het dal geklommen. Maar voor zijn veiligheid blijft Japan sinds 1945 afhankelijk van de Verenigde Staten. Er zijn 40.000 Amerikaanse troepen gestationeerd en Japan zelf doet weinig aan defensie. Het roemruchte artikel 9 van de Grondwet van 1947 verbiedt remilitarisatie en Japan is met deze outsourcing van zijn veiligheid decennialang goed geweest. Net als West-Europa dat was in de tijd van de Koude Oorlog.

Maar de dingen zijn aan het veranderen – binnen Japan en daarbuiten. Er is een assertieve generatie politici op de voorgrond getreden – eerst premier Koizumi en sinds vorig jaar Shinzo Abe. Ze deden zelfs symbolisch mee in Irak. De huidige premier heeft de naam van het Defensie Agentschap veranderd in ministerie van Defensie. En hij heeft aangekondigd artikel 9 te herzien. Onlangs sloot Japan zelfs voor het eerst een defensieverdrag met een ander land dan Amerika, namelijk met Australië. Het verdrag stelt nog wel niet zo heel veel voor, maar voor Japan was dit toch een doorbraak. Aan een serieuze vloot werkt Japan ook.

Het Japanse en het Australische ongemak heet China en de dadendrang komt voort uit een knagende onzekerheid over Amerikaanse veiligheidsgaranties. Amerika moedigt Japanse defensieactiviteiten aan en de rest van Azië staat erbij en kijkt ernaar. De vroegere Singaporese premier Lee Kuan Yew – nooit verlegen om ferme teksten – noemde de Amerikaanse aanmoedigingen aan Japan zoiets als „het geven van een rumbonbon aan een voormalige alcoholist.”

China zelf probeert in zijn Aziatische omgeving een behoedzame, begrijpende partner te zijn. Het maakt net als Zuid-Korea op gezette tijden ruzie met Japan over het oorlogsverleden en herinnert aldus de jonge mensen van dit werelddeel er aan dat lang geleden Japan een agressieve mogendheid was en dat waakzaamheid nooit kwaad kan. En de Japanse politici, die het altijd te doen is om onafhankelijkheid, status en eer, stellen in dat soort gevallen ook nooit teleur: ze blijven stug en assertief en bevestigen aldus het gewenste beeld van arrogantie. (De zogenoemde troostmeisjesaffaire volgde weer keurig dit patroon: eerst een halve ontkenning, dan aanzwellende verontwaardiging van Washington tot Peking en dan de Japanse bocht van excuses en allemaal too little, too late.)

China ensceneert zichzelf als de geschiktere pater familias van het continent. Anders dan de Verenigde Staten en hun kabaal tegen Noord-Korea laten Chinese machthebbers zien hoe met zachte dwang de dingen in het juiste spoor kunnen worden gebracht. Het bezoek van de Chinese premier Wen Jiabao vorige week aan Japan, dramatisch geënsceneerd als baanbrekend en historisch, paste daarin en bracht het onderlinge aftasten op een hoger plan. Iets substantieels leverde het verder niet op, maar dat kan ook niet.

Europa is al jarenlang een stelsel van half-ontvlochte staten met een aantal gemeenschappelijke regels en gedragingen. In Azië is dat ondenkbaar: het zijn de staten die handelen en reageren en het zijn de grote mogendheden hier die druk doende zijn met het klassieke spel van krijtlijnen van macht en invloed trekken in internationale betrekkingen.

Voor Amerika is dat dichtbij, voor Europeanen ver weg.