‘We worden het nooit eens’

Een debat over de stand van zaken van de dans in Nederland bracht gisteren alleen consensus over het onterecht ‘ontoegankelijke’ imago van het genre.

„Het was het slechtste jaar ooit, maar ook fantastisch”, zegt Peter Lankhorst, voorzitter van Directie Overleg Dans (DOD), de brancheorganisatie voor dans. In het Theaterinstituut beantwoordde zijn statement gistermiddag de vraag „hoe het gaat met de dans in Nederland”, in een debat over dans. Dat was georganiseerd na het uitkomen van een advies over dans van de Raad voor Cultuur.

Het antwoord leek wat te vaag en sceptisch, want als één club in Nederland zich sterk maakt voor behoud en verbetering van de dans, is dat de DOD. Onder meer in het rapport Dans Zichtbaar Beter, dat gisteren werd gepresenteerd.

Gebrek aan belangstelling voor een debat over de aanstaande subsidieronde was er niet. Gebrek aan een eensluidende opvatting over wat er zou moeten veranderen in de dans des te meer.

Vraag aan Nicole Beutler, zelfstandig choreografe uit de conceptuele hoek wat ze vindt van Het Nationale Ballet en haar antwoord luidt: „Te statisch.”

Vraag de moderne choreografe Krisztina de Châtel, twintig jaar leidster van een goed lopende groep, wat ze vindt van Het Nationaal Ballet en het Nederlands Dans Theater – die op de nominatie staan om niet meer elke vier jaar te worden beoordeeld door de Raad voor Cultuur – en ze wijst op het gevaar van „onaantastbaarheid”.

Leg aan Nationale Ballet-leider Ted Brandsen voor of hij genoeg doet aan ontwikkeling van talent, educatie en maatschappelijke betrokkenheid en hij zegt: „Ja, zolang de middelen toereikend zijn.”

En Scapino’s leider Ed Wubbe constateert dat jonge makers de weg naar zijn groep niet weten te vinden, terwijl de deuren toch open staan.

Gespreksleider Ruben Maes poogde vergeefs lijn aan te brengen in een discussie die vooral losse flodders opleverde. Maar hoe kon dat ook anders met al die vertegenwoordigers uit dat diverse veld: met repertoiregroepen, middelgrote groepen, kleine initiatieven, freelancers en productiehuizen. Elk met hun visie en eigen belang. „We worden het nooit met elkaar eens”, merkte Brandsen dan ook realistisch op.

Duidelijk werd wel dat vooral kleinere initiatieven zich niet willen of kunnen schikken naar de indeling naar functies (instandhouding, ontwikkeling, ondersteuning) die de Raad voor Cultuur op verzoek van minister Van der Hoeven introduceerde. Ook bestond consensus over het „imagoprobleem” waaraan de dans zou leiden, als zijnde een „ontoegankelijke en moeilijke” podiumkunst die niet zo lekker verkoopt als cabaret. Maar de oproep om het „Joop van den Ende-effect” te keren en om de prominente positie die de dans twintig jaar geleden innam te heroveren, leek langs iedereen heen te gaan. Als dit futloze en inhoudsloze ‘debat’ als graadmeter voor de situatie in de danswereld moet worden gezien, dan is er alle reden tot zorg.