Opvoeden

Opvoedingsondersteuning is een van die lelijke, nieuwe woorden die je steeds vaker tegenkomt. „Het is een maatschappelijke functie die voor iedereen beschikbaar moet zijn”, schrijft het Nederlands Jeugdinstituut op zijn site, „alle ouders kunnen immers zo nu en dan wel wat steun en hulp bij de opvoeding gebruiken.”

Ik geloof het graag, al vraag ik me wel af hoe het mogelijk was dat er vroeger toch met een zekere regelmaat een gezond, normaal functionerend kind werd afgeleverd zónder opvoedingsondersteuning. Hoe deden die ouders dat toen? Goed, ze hadden de boeken van Benjamin Spock, maar zoveel wijzer werd je daar nou ook weer niet van. Opvoeden deed je à l’improviste, je adviseerde wat, je troostte wat en je mepte wat, en verder zag je wel.

Minister Ter Horst was gisteren in Amsterdam om uit te leggen dat ze 25 miljoen euro heeft uitgetrokken om de groeiende radicalisering en polarisatie tegen te gaan. Dat geld zal opgaan aan kennisuitwisseling, weerbaarheidstraining én opvoedingsondersteuning. Dus ook aan véél kennisuitwisselaars, weerbaarheidstrainers en opvoedingsondersteuners, neem ik aan.

Reuze nuttig, mag ik hopen, maar zou je ermee kunnen voorkomen dat af en toe een individu, om wat voor reden dan ook, radicaliseert en bijvoorbeeld 33 jonge studenten op een campus doodschiet, of zijn gezin over de kling jaagt? Ik vrees van niet.

Als ik even mag speculeren: de slachtpartij in Virginia lijkt geen daad van een crimineel, maar de wanhoopsactie van een rancunelijder. Hij had niet gekregen wat hij wilde, een diploma, een baan, een meisje, en daarom hadden ook anderen geen recht op al die verworvenheden. Moest hij kapot? Dan anderen ook maar.

Ik moest denken aan de moordenaar van Louis Sévèke – vermoedelijk ook zo iemand die zich opzij gezet voelde en jaren nadien het gerecht van de wraak koud kwam opdienen.

Misschien is het nuttiger de opvoedingsondersteuning uit te breiden naar overheden en politici die het dergelijke moordenaars zo gemakkelijk maken om hun gang te gaan. Ik hoorde een Amerikaanse politicus op CNN roepen dat de wapenwetgeving zo liberaal moet blijven als hij altijd geweest is, „want dat willen de mensen nu eenmaal”.

Amerikaanse journalisten bestreden dat. Uit enquêtes zou een groeiende ongerustheid onder de bevolking blijken over het alomtegenwoordige wapenbezit. „In New York kun je niet zo gemakkelijk legaal een wapen kopen”, vertelde een journalist, „maar je kunt op elke straathoek voor vijf dollar een pistool huren – meestal afkomstig uit Virginia.”

Een andere journalist vertelde dat er in de Verenigde Staten per jaar drieduizend kinderen doodgeschoten worden. „Het is een manier om je woede te uiten, in Europa kennen ze dat niet.”

Dat lijkt me iets te rooskleurig gezien. We beginnen onze achterstand in te halen. Ook in Europa worden de burgers steeds woedender („Ik ben woedend, dus ik besta”) en weten ze steeds beter waar ze hun wapens moeten halen. Misschien moeten we naast opvoedingsondersteuning vooral aan woedebestrijding gaan doen.

Bent u het niet met me eens? Wacht even, blijf staan, ik zal...