Klinische blues van Armatrading

Concert: Joan Armatrading. Gehoord: 16/4 Paradiso, Amsterdam. Herhaling vandaag.

Twee dingen deugen er niet aan de beslissing van Joan Armatrading om in een late fase van haar carrière de blues te gaan spelen. Ten eerste heeft ze een jammerlijk excuus om al die mooie liedjes van vroeger over te slaan, een enkele uitzondering daargelaten. Ten tweede is het niet de blues die ze speelt, maar een uitermate slappe lezing van de Amerikaanse katoenplantagemuziek. De blues van Armatrading lijkt meer op Dire Straits dan op Howling Wolf, meer Sheryl Crow dan Ma Rainey.

Het was een lang gekoesterde wens van de Britse singer/songwriter Joan Armatrading (56) om nog eens een authentiek klinkende bluesplaat te maken. Op het eind vorige maand verschenen Into The Blues wordt die boodschap er flink ingeramd: nummers heten Play the blues en Baby blue eyes, of anders wel My baby’s gone en Deep down. Slecht is het niet. Verdienstelijk zelfs hoe Armatrading zichzelf opnieuw uitvindt als een bluesgitariste die de Armani-bluesman Eric Clapton best eens op een wedstrijdje blueslicks spelen mag vergasten. Maar bij blues denk je aan koud zweet, harde levenslessen en kansloze liefde; zaken die hier hooguit in een bleke supermarktversie langs komen.

Live kan Armatrading niet kapot. Na een afwezigheid van jaren had ze in een didgeridoo kunnen blazen om tweemaal een vol en lyrisch Paradiso aan haar voeten te treffen. Maar wat klonk haar gitaarspel klinisch, haar begeleidingsgroep steriel en de samenzang truttig. Het enig onberispelijk mooie was haar stem, nog altijd dat diepe gebrom en de soulvolle wendingen van hits als Rosie, The Weakness in me en I’m lucky. Je kon erom schreeuwen maar ze kwamen niet. In plaats daarvan vleugellamme invuloefeningen als A woman in love, zo bluesy als een geheelonthouder in een nachtcafé. Een paar keer pleegde Joan Armatrading doelbewust stijlbreuk, als ze haar gitaar aan de kant legde en ongemakkelijk dansend een ouder nummer vertolkte. Niets klonk echter zo verheffend als haar stuwende Me myself I, waarin de milde bluesinvloeden van de aangepaste versie nu eens op de juiste plek vielen. Het welwillende publiek kreeg zijn Armatrading in beperkte doses, met veel voortkabbelend vulsel en zo nu en dan een hondenbrok van weldadige herkenning. Voor de blues zat er een te fraaie glans in haar kapsel, en fopte ze niemand met haar uiterlijk en postuur van een vrouwelijke Muddy Waters.