Jeugdbeleid moet vooral praktisch zijn

Welke visie men ook aanhangt, iedereen is erbij gebaat dat de jeugd zich sociaal gedraagt en goed terechtkomt. De kennis is er, het wordt tijd dat de politiek de handen uit de mouwen steekt, meent Jaap Noorda.

Het lijkt een repeterende breuk: bij nieuw jeugdbeleid zijn de begrotingen en organisatiemodellen meestal gedetailleerder dan de oplossingen. Dat is ook met dit kabinet weer het geval. Nog een repeterende breuk: al vanaf de jaren zeventig zijn er veel initiatieven genomen om de jeugd in het maatschappelijke bestel te integreren. Veel maatregelen zijn niet effectief gebleken of gedeeltelijk mislukt. Achteraf gezien blijkt menige poging eerder gebaseerd te zijn op ideologische uitgangspunten dan op weloverwogen, experimenteel beproefde sociale uitvindingen. Een andere fout is het grootschalige bureaucratisch karakter van beleid. Veel oplossingen blinken uit in de roep om meer middelen voor menskracht. Dat betekent in de praktijk meer management om grootschalige uitvoeringsoperaties beheersbaar te kunnen aansturen dan extra uitvoeringsfuncties.

En dat terwijl jeugdbeleid er vooral op gericht moet zijn om met name risicojongeren (hun percentage schommelt tussen de 10 en 20 procent en zij concentreren zich in meer dan 40 stedelijke wijken en plattelandsstreken) zo snel mogelijk in de samenleving te integreren. Dat vraagt om samenhangende maatregelen op vijf terreinen: onderwijs, werk, vrije tijd, veiligheid en zorg. Daar is een en ander fout gegaan.

Op het terrein van onderwijs is de laatste jaren een lange reeks van grootschalige hervormingen doorgevoerd die begon met de Mammoetwet uit 1968 en eindigde met de opheffing van de mislukte basisvorming. De resultaten zijn niet alleen mager gezien de aanhoudend hoge uitvalcijfers, maar ook contraproductief, want menig leerkracht is inmiddels murw van de regelzucht van overheid en management.

Vooral de situatie in het beroepsonderwijs, dat een belangrijke schakel voor integratie vormt voor veel risicojeugd, is zorgelijk. Het lager beroepsonderwijs is de laatste decennia geschoeid op de leest van algemene vorming en theoretisch onderwijs ten koste van praktische en beroepspraktijkgerichte scholing. Leerlingen uit laaggeschoolde milieus blijken deze omslag voor een deel niet aan te kunnen en haken af. De schooluitval in het vmbo bedraagt tussen de 10 en 20 procent en in het mbo ca. 40 procent. Verandert er niets dan zullen deze problemen toenemen vanwege individualisering van leerroutes en hogere eisen aan de diploma’s.

Wat nodig is, is de invoering van praktisch beroepsonderwijs gericht op het regionale bedrijfsleven in alle grote steden, middelgrote steden en plattelandsregio’s op ongeveer eenderde van de locaties van vmbo en mbo.

Daarnaast zullen mentoraatprojecten moeten worden opgezet voor naar schatting 150.000 risicoleerlingen van het vmbo. Deze leerlingen moeten een dagdeel per week onder de hoede genomen worden van een vrijwilliger uit het maatschappelijke middenveld. Dat vergroot de kans op een diploma en het is goed voor de sociale cohesie.

Geen nieuw kabinet of er worden plannen ontvouwd om de jeugdwerkloosheid te bestrijden, variërend van maatschappelijke dienstplicht en jeugdwerkgarantiebanen in de jaren ’80 tot de taskforce jeugdwerkloosheid anno 2007. Toch is er nog steeds sprake van een wanverhouding tussen vraag en aanbod. Dus ligt het voor de hand het beroepsonderwijs af te stemmen op de mogelijkheden van de economie van morgen.

De mogelijkheden voor reguliere jeugdbanen of leerwerkplaatsen op de arbeidsmarkt zijn veel groter dan wordt gedacht. In principe zou de jeugdwerkloosheid in korte tijd volledig opgelost kunnen worden wanneer het werkgevers in administratief opzicht gemakkelijk wordt gemaakt een jongere voor kortere of langere tijd in dienst te nemen voor werkzaamheden die zich aandienen. Administratieve rompslomp en ontslagbeperkingen doen veel werkgevers ervan afzien een jongere aan te nemen. Gevolg is dat werkloze jongeren het moeten doen met een kunstmatige baan, een passief makende uitkering of tegemoetkoming. Ervaringen tonen aan dat werkloze jongeren vooral interesse hebben voor banen op de ‘echte arbeidsmarkt’ van bedrijfsleven en non-profit sector. Dat geldt zeker voor jongeren uit laagopgeleide milieus.

Het zou goed zijn om het bestaande budget voor uitkeringen en vormen van arbeidstoeleiding voor jongeren in te zetten voor het scheppen van volledige jeugdwerkgelegenheid. Bij dit voorstel zou vooral het regionale bedrijfsleven moeten worden betrokken, omdat de economie nu eenmaal grotendeels uit regionale krachten bestaat. Nodig is verder praktijkbegeleiding in een verhouding van één begeleider op tien jongeren teneinde een goede arbeidsmoraal te kweken en werkgevers te ontlasten van administratieve rompslomp en aansluitende beroepsscholing van één dag in de week met praktisch waarde voor de uit te voeren werkzaamheden.

Eén op de vijf jongeren heeft behoefte aan begeleide vrijetijdsbesteding door jeugdwelzijnswerk, informele sportbeoefening en jeugdcultuur. Dat geldt met name voor laaggeschoolde, Marokkaanse en Antilliaanse jongeren, die vaak ook nog bij elkaar in de buurt wonen. Maar het bestaande aanbod kan onvoldoende in deze behoefte voorzien. De kans dat jongeren buiten het zicht van ouders, bewoners en voorzieningen in groepsverband ontsporen is derhalve onverantwoord groot.

Voorgesteld wordt het aantal professionals in het jongerenwerk, informele sport en jeugdcultuur te verdubbelen van 2.000 naar 4.000. Door gemotiveerde jongeren uit de doelgroep via praktische onderwijsprogramma’s van het mbo hierbij in te schakelen, worden twee vliegen in één klap geslagen.

Sinds de sterke stijging van de jeugdcriminaliteit in de jaren tachtig zijn de instanties voor veiligheid en openbare orde als politie en justitie steeds uitgebreid en gereorganiseerd om delicten en overlast een halt toe te roepen. De statistieken laten nog geen grote successen zien. Naast een wijkgerichte inzet van politie, die ook van levensbelang is voor de veiligheid van jeugd op straat, zijn een snellere justitiële reactie op delicten en een betere nazorg na detentie of behandeling richting werk, scholing en zinvolle vrije tijd onmisbare onderdelen van criminaliteitspreventie. Anders blijven de recidivecijfers onveranderd hoog.

Welke levensbeschouwing of visie men ook aanhangt, iedereen is er bij gebaat dat jeugd zich sociaal gedraagt en goed terechtkomt. Voor het dagelijks leven van de gemiddelde Nederlander komt dat neer op een aangenamer maatschappelijk klimaat en een gemakkelijker manier van opvoeden en begeleiden van jeugd tot verantwoordelijke burgers.

De kennis is er, de politieke wil ook? Slimme integratie van gemarginaliseerde jeugd in een hoogontwikkelde samenleving moet een keer lukken.

Jaap Noorda is onderzoeker risicojeugd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.