Ivoorkust is weer één land

In Ivoorkust werd gisteren met veel bombarie een begin gemaakt met de opheffing van de bufferzone die het West-Afrikaanse land sinds 2003 doormidden snijdt.

De premier van Ivoorkust loopt maar anderhalf uur achter op schema als uit de verte sirenes klinken ten teken dat hij onderweg is. Een dikke man veegt haastig wat denkbeeldig stof van de verschoten rode loper. Een half uur later komt ook president Laurent Gbagbo in een geblindeerde Mercedes aangescheurd. Burgers, gefascineerd door zoveel machtsvertoon, kijken nieuwsgierig toe. Wuivend en lachend posteert Gbagbo zich op hetzelfde podium als premier Guillaume Soro, de door hem eens zo verguisde rebellenleider. Na een serie redevoeringen wijdt Gbagbo een gebouw in waarin straks officieren van beide legers zullen huizen. Dan gaan de loeiende sirenes weer verder, op topsnelheid over een scheefgezakte asfaltweg vol kraters. „Onze missie is geslaagd”, vindt een gebruinde Franse kolonel. „We hebben het vechten gestopt. Nu is de oorlog ook echt afgelopen.”

Gisteren werd met veel bombarie een begin gemaakt met de opheffing van de bufferzone die Ivoorkust sinds 2003 doormidden snijdt. De strook niemandsland werd ingesteld door het interventieleger van de voormalige koloniale macht Frankrijk, dat verdere confrontaties tussen het rebellenleger in het noorden en regeringstroepen in het zuiden wilde voorkomen. Militair gezien was de bufferzone een succes. De ingreep stopte de burgeroorlog die het gevolg was van een mislukte staatsgreep van Soro. Na de Fransen kwamen de VN om de zeshonderd kilometer lange zone te helpen bewaken. Maar voor de dorpelingen in het gebied was het ontbreken van formeel bestuur een hard gelag. Patrouilles konden niet verhinderen dat loslopende rebellen dorpelingen ontvoerden om losgeld te krijgen. Verhaal halen bij de VN was de moeite niet: de duizenden blauwhelmen uit Bangladesh spreken geen Frans.

Tegelijkertijd werd met de bufferzone de tweedeling van Ivoorkust een feit. Het noorden kreeg een eigen zwarte economie die zich nog steeds aan elke regeringscontrole onttrekt. Nog steeds worden de grootste steden in rebellenland bestuurd door potentaten die op alles wat voorbijkomt ‘belasting’ heffen. Wat zij straks moeten gaan doen, is een raadsel. Terug naar het regeringsleger? Geen sprake van, zeggen militairen in het zuiden. „De rebellen hebben onze gezinnen uitgemoord”, fluistert een officier. „De meesten hebben amper de rang van korporaal. Nu noemen ze zich generaal. Wij samen met hen? Haha. Echt niet.”

Sinds begin 2003 ondertekenden Gbagbo en Soro dertien vredesakkoorden, die ze vervolgens weer verbraken. De tweedeling is lucratief geweest voor beide partijen. Ze gaf de weinig populaire Gbagbo een excuus om de presidentsverkiezingen uit te stellen, en Soro de tijd om een fortuin te vergaren. Maar nu, zo zeggen ze, kunnen het Franse leger en de VN-soldaten met gerust hart vertrekken. Vorig maand stelden ze zelf een nieuw vredesakkoord op waarin plechtig wordt beloofd noord en zuid te herenigen. In Tiebissou, de laatste stad voor de bufferzone, is de bevolking uitgelopen om de symbolische ontruiming van een VN-checkpoint te zien. Uit vele kelen klinkt gejuich als een witte bulldozer een houten wachtkamertje tot puin beukt. Generaal Fernand Amoussou, commandant van de VN-troepen, vindt het wél een feestje waard. Als de Veiligheidsraad het goed vindt, mag hij gauw naar huis. „Open de champagne! Iedereen champagne!”