Het jaar van Spinoza

Donderdag 19 april om 20.15 uur spreekt prof. Herman De Dijn, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven, over ‘Spinoza over waarheid, godsdienst en heil’. Aula van de Universiteit van Amsterdam, Singel 411. Toegang vrij, zaal open vanaf 19.30 uur.

Dit jaar wordt herdacht dat Spinoza 375 jaar geleden in Amsterdam werd geboren. Drie Spinoza-experts delen de Spinoza-wisselleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam: Herman De Dijn, Jonathan Israel en Steven Nadler. „Spinoza had baanbrekende ideeën over de relatie tussen wetenschap en godsdienst”, zegt De Dijn. „Hij leefde op de drempel van de moderne, verlichte tijd, waarin de wetenschap tot volle bloei kwam, met figuren als Descartes, Copernicus, Newton en Galilei.”

Hoe kwam Spinoza tot zijn ideeën?

„Hij groeide op in het joodse getto in Amsterdam. Zijn familie handelde in Oosterse goederen. Zo kwam hij waarschijnlijk in contact met allerlei intellectuelen. Blijkbaar was de kloof tussen zakenlieden en intellectuelen nog niet zo groot. Spinoza leerde christenen kennen die enorm geïnteresseerd waren in de nieuwe wetenschap. Dat betekende echter een revolutionaire ommezwaai in hun wereldbeeld, en in hun kijk op zichzelf. Anders dan de Bijbel ons voorhoudt, leeft de mens blijkbaar niet in het centrum van de wereld, maar op een planeet rond een uitdovende ster in een uithoek van het universum.”

Dat moet schokkend zijn geweest.

„Het was een vreselijke schok, een totaal verbluffende, bijna onaanvaardbare gedachte. De mens is verloren in die verschrikkelijke kilte, die oneindige zee van doelloos rondtollende planeten. Bovendien leerde de nieuwe fysica ons dat lichamen door ijzeren wetten worden geregeerd. Ook ons eigen, menselijk lichaam kan niet aan die wetmatigheden ontsnappen. Daarmee, zo redeneerde Spinoza vervolgens, wordt de illusie van de vrije menselijke wil de grond ingeboord. Blijkbaar evolueert de mens op een noodzakelijke, gedetermineerde manier, in een hoekje van het universum, zonder dat daar een zinvolle, goddelijke bedoeling van de schepper achter zit. De mens neemt in de schepping geen speciale positie in en is niet geschapen om de schepper te eren.”

Heeft Spinoza erg met die gedachten geworsteld?

„O ja, ongetwijfeld. Maar hij wilde geen concessies aan de waarheid doen om het oude wereldbeeld van heil en zin voor de mensheid te redden. Hij aanvaardde zijn conclusies en formuleerde ze expliciet. Hij nam afstand van het idee van God als een persoon, een soort vaderfiguur met een wil, verstand en bedoelingen. Voor Spinoza is God onpersoonlijk, hij valt samen met de natuur. Hij is een bron van oneindige energie, die de wereld als een soort pletwals in oneindig veel vormen van realiteit kneedt. Tegelijk hield Spinoza vast aan het idee dat de ware kennis echt heil betekent. Als je leest hoe prachtig hij over geluk en emoties schreef, moet hij ondanks alle verkettering en tegenwerking een gelukkig mens zijn geweest.”