Het hoge Noorden, dat overleef je niet

De provincie Groningen is getekend door de grote afstand van de machtscentra.

Dat stelt Jan van den Broek.

Dit is natuurlijk geen onderzoek in de normale zin van het woord, zegt Jan van den Broek over het boek Groningen, een stad apart – 656 pagina’s dik, te zwaar voor de keukenweegschaal. „Bij normaal onderzoek stel je een vraag en ga je op zoek naar het antwoord. Bij mij ging het anders. Ik heb jarenlang gewerkt als gemeentearchivaris van de stad Groningen en had een aantal dingen gevonden die ik graag wilde vastleggen. En daar heb ik als inleiding een verbindend verhaal bij geschreven.”

Die inleiding verbond niet alleen zijn drie specialistische studies naar de Groningse zeggenschap over het Gorecht (een gebied vlak bij de stad), het zestiende-eeuwse conflict tussen Groningen en Emden en de verovering van de stad door de staat. Ze behandelde ook wat het belangrijkste onderzoeksthema van het boek werd: afstand. Groningen heeft altijd ver weg gelegen van de machtscentra waartoe het behoorde en die afstand is bepalend geweest voor de geschiedenis van het gewest.

Iedereen die in de Randstad woont en bevriend is met iemand in Groningen, of omgekeerd, weet het wel: Groningen ligt verder van de Randstad dan de Randstad van Groningen. En dat is al eeuwen zo. Groningen, stad en land, zijn een geïsoleerd gebied. „Dat heeft niet alleen met de plaats van het centraal gezag te maken, maar ook met de nabijheid van grote bevolkingscentra. Tegenwoordig kunnen we alles bewoonbaar maken, maar in de negentiende eeuw bestond het noorden van het land uit een verzameling eilandjes waar mensen woonden – je kunt je niet voorstellen hoe woest dit gebied was en hoe slecht bewoonbaar.

„Veel onvruchtbare zandgronden, en tot de zeventiende eeuw kon je nauwelijks door Drenthe heenkomen, daar waren overal moerassen. Groningen was de eerste plaats waar je weer droge voeten kon krijgen.”

De centrale regering bemoeide zich nauwelijks met het gebied – dat kón die regering ook niet. „Zelfs bij de gewone soldaat bestond het beeld: daar in het noorden moet je niet zijn, dat overleef je niet. De stad werd min of meer gedwongen om zijn zaakjes zelf te regelen.”

Onder die omstandigheden had de stad Groningen tot in de zestiende eeuw een unieke machtspositie over de Ommelanden, het land in het noorden. Zo had de markt in Groningen het monopolie op de handel in Ommelander producten – tot chagrijn van de Ommelanders, die zich daardoor (terecht) in hun handelsvrijheid beknot voelden.

Het was wel schipperen voor de stad, vertelt Van den Broek, om de vertegenwoordigers van de regeringen in Utrecht, Brussel en Den Haag buiten de deur te houden, en toch loyaal te lijken. Een politiek spel dat in zekere zin kenmerkend is voor Nederland in het algemeen. „We zijn een koopmanswereld en hebben dus weinig op met hiërarchische machtsstructuren. Dat maakte ons vroeger ook niet populair in de ogen van buitenlanders – het was not done om op te staan tegen je heer. Maar wij Nederlanders denken dat we het beter weten. En dat is nu ook nog wel zo, als je bijvoorbeeld kijkt naar alle nieuwe regels uit Brussel. Ja, ik zie duidelijke overeenkomsten tussen de problemen van Groningen in de zestiende eeuw, en nu, met het groter worden van Europa. Het doet pijn om je zelfstandigheid op te geven.”

En dat is toch wat Groningen moest doen, in 1594. Toen veroverden Willem Lodewijk en Maurits de stad en kwam het bestuur in handen van een gereformeerde elite. Eén troost: „Die nieuwe heren vervielen binnen de kortste keren in de Groningse denktrant: de centrale regering op afstand houden, en ruzie maken met de Ommelanden.” Groningen was veroverd, de afstand bleef.

’Groningen, een stad apart’ komt eind april uit bij Van Gorcum, ISBN 978 90 232 4323 6.