Een traditie van eeuwig lachende bloemenprenten

Tentoonstelling: Bloemen onder de loep; hommage aan Linnaeus. Teylers Museum, Haarlem. T/m 3/6. Inl.: 023-5319010 of www.teylersmuseum.nl.

De eerste banaan in Nederland groeide in 1736 in een kas op landgoed De Hartekamp nabij Haarlem. Niemand minder dan de beroemde plantkundige Carolus Linnaeus bracht deze uit India geïmporteerde plant tot bloei en deed hem vrucht dragen. Hij kreeg dat voor elkaar door de boom eerst enkele weken geen water te geven, en hem daarna te overspoelen met warme douches. Daarmee bootste hij de tropische regenbuien na, waarbij de pisang zich senang voelt. Het met prenten geïllustreerde boek dat Linnaeus schreef naar aanleiding van dit succes is te zien op een aantrekkelijke tentoonstelling in Teylers Museum. De expositie, die is ingericht ter gelegenheid van het driehonderdste geboortejaar van Linnaeus (1707-1778), inventariseert de weergave van bloemen in botanie en beeldende kunst van de zeventiende eeuw tot onze eigen tijd.

De bananenboom, de kas en het landgoed waren eigendom van George Clifford. Deze steenrijke bankier en koopman had zich ontpopt als beschermheer van de Zweedse botanicus, die enkele jaren eerder naar Nederland was gekomen. Carl Linné, die zijn naam verlatijnste tot Linnaeus, had geneeskunde gestudeerd in Lund, maar kon in Zweden niet tot doctor promoveren. Met het manuscript van zijn proefschrift op zak reisde hij naar de universiteit van Harderwijk om daar, binnen de luttele tijdspanne van een week, te promoveren op een dissertatie over malariakoortsen.

Van veel groter belang was een ander boek dat Linnaeus nog in hetzelfde jaar publiceerde. In Systema naturae (1735) legde hij een ordeningssysteem vast, dat uitging van de uiterlijke kenmerken van dieren, planten en mineralen. Voor het eerst was daarmee een consequente en gestandaardiseerde ordening mogelijk. Ook voor de naamgeving had Linnaeus een systeem bedacht: elke soort kreeg een unieke, tweeledige, naam, die bestond uit de Latijnse vormen van de geslachtsnaam en de soortnaam. Zo doopte hij zijn Haarlemse banaan (musa paradisiaca), ter ere van zijn beschermheer musa cliffordiana.

De nauwkeurige observatie van planten en het vastleggen van de bevindingen, waarmee Linnaeus’ systeem staat of valt, vormen nu het onderwerp van de tentoonstelling. Al in de zestiende eeuw werden bloemen en planten afgebeeld; meestal met een symbolische betekenis of als botanische illustratie van kruidboeken. Uit die traditie komen tekeningen voort van losse bloemen die kostbare, exotische of nieuwe soorten vastleggen. Prachtige voorbeelden zijn de bladen van de hand van de zeventiende-eeuwse schilder Jacob Marrel. Ze zijn afkomstig uit een zeldzaam compleet bewaard gebleven tulpenboek: een catalogus van verschillende tulpenvariëteiten, bedoeld voor kwekers en kenners.

Meer artistieke pretentie hebben de verbluffend gedetailleerd geschilderde aquarellen van een schilder als Jan van Huysum. Zijn werk, verrassende composities van boeketten tegen een lege achtergrond, ging in de achttiende eeuw voor exorbitante prijzen van de hand.

Een andere manier om de kenmerken van bloemen vast te leggen, is het bewaren van de gewassen zelf. In een apart kabinet is een prachtverzameling herbaria bijeengracht. Inheemse planten werden verzameld, maar er is ook het herbarium van de negentiende-eeuwse Japanse arts Ito Keiske. In pracht en curiositeit wedijvert dit boek met een uitzonderlijk vroeg herbarium uit de jaren 1542-1544, met de welluidende titel En tibi perpetuis ridentem floribus hortum.

Bij het zien van de gedroogde exemplaren van planten die destijds in Europa nieuw waren, zoals een uit de Nieuwe Wereld geïmporteerde tomatenplant met de vrucht er nog aan, ben je direct bereid te geloven wat de titel belooft: ‘Ziehier een je eeuwig toelachende bloementuin’.