De kans op ‘Nederland blank’ is steeds kleiner

Nederland verdwenen onder zes meter water. In zijn film An Inconvenient Truth blies Al Gore dat oude schrikbeeld nieuw leven in. Maar hoe groot is die kans? In de laatste klimaatrapporten wordt Nederland niet zozeer gewaarschuwd voor de dreiging vanuit zee, maar vooral voor die van de rivieren. Hoe moeten we dat zien in historisch perspectief? En zijn we berekend op wassend water?

Kordaat Frans bestuur

Dijkdoorbraken langs de rivieren zijn verantwoordelijk voor zo’n 95 procent van het historisch totaal van overstromingen (die langs de kust en Zuiderzee zijn zeldzaam). Eeuwenlang kunnen onze voorouders ermee leven. Maar na 1750 neemt het aantal doorbraken angstaanjagend snel toe. Honderden doden, verlies van duizenden huizen en ziekte-uitbraken zijn soms het gevolg. Het Franse bestuur – van 1795 tot 1813 – vindt het tijd voor drastische veranderingen. De Hollandse dijkstoelen zijn tot dan toe meestal prominente burgers zonder al te veel kennis van watermanagement. Het accent ligt op waarschuwen voor overstromingen en herstelwerkzaamheden achteraf, minder op preventie. De kleine waterschappen hebben daar ook nauwelijks de middelen voor. De Fransen pakken het waterbeheer voor het eerst nationaal aan. In 1798 wordt een voorloper van Rijkswaterstaat opgericht, in 1801 komt er een Dijkwet, in 1806 het Algemene rivier- en waterrecht en in 1809 volgt een ministerie van Waterstaat.

Nationalisme rond de rivier

Door het landelijke beheer daalt na 1820 het aantal overstromingen al, maar Nederland heeft ambities en wil nóg veiliger en beter bevaarbare rivieren. Rond 1850 begint het land sterk te moderniseren – de nieuwe grondwet dateert van 1848, de industrie komt op – en te centraliseren: het landelijke bestuur wordt steeds krachtiger. Ook de rivieren worden stevig aangepakt, volgens de ideeën van een Franse waterstaatkundige. Er komen meer en sterkere dijken, bochten worden rechtgetrokken, vaargeulen uitgebaggerd, kanalen gegraven. Maar liefst 55 miljoen gulden wordt hieraan gespendeerd tussen 1850 en 1906: een destijds astronomisch bedrag dat de lokale waterschappen nooit hadden kunnen ophoesten.

Megaproject vanaf 1995

Na de laatste dijkdoorbraak van 1926 is het zo lang rustig, dat extreem hoog water in 1993 en 1995 Nederland wakker schudt. De buitenlandse media laten beelden zien van wat oogt als een ramp: het overstromen van de rivieren – maar dan wel keurig tussen de dijken. De badkuip loopt weliswaar vol, maar de badrand houdt het. Toch zit de schrik er weer goed in. Sinds 1995 heeft het Rijk daarom miljarden euro’s uitgetrokken voor het project Ruimte voor de Rivier. Hierbij zijn dijken verlegd, nieuwe rivierbeddingen aangelegd, obstakels in het rivierbed verwijderd en is er ruimte gemaakt voor de natuurlijke dynamiek van het water. Dit verkleint de kans op een doorbraak tot minder dan eens per 1250 jaar. Daarbij is niet eens meeberekend dat langs de Rijn in Duitsland talloze maatregelen zijn genomen waardoor er minder water op ons af zal komen. Dit rechtvaardigt de verwachting van nul dijkdoorbraken in de 21ste eeuw, zelfs bij verdere klimaatswijzigingen. Hebben we de Fransen eigenlijk ooit bedankt?

Kor Goutbeek