Bezie Iran nu eens als stabilisator van de regio

De fixatie op Iraans atoomprogramma is verkeerd. Die kernbommen zullen niet in verkeerde handen vallen, schrijven Vladislav Inozemtsev en Jekaterina Koeznetsova.

De nucleaire kwestie Iran kan op twee manieren worden benaderd, en ze zijn allebei onjuist.

Enerzijds is het verleidelijk om het nucleaire programma van Iran op te vatten als een reactie op het beleid van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten. Iran is al in 1975 begonnen met de bouw van zijn kerncentrale, maar heeft het project pas een militaire draai gegeven na 29 januari 2002, toen George W. Bush dit land indeelde bij de ‘as van het kwaad’. De vrees van Iran werd bevestigd in 2003, toen buurland Irak het slachtoffer werd van buitenlandse interventie. In zo’n situatie lijkt het uit een oogpunt van zelfverdediging gerechtvaardigd om een nucleair programma op te zetten.

Artikel 10 van het Nonproliferatieverdrag van 1 juli 1968 geeft de ondertekenaars de mogelijkheid om met een opzegtermijn van drie maanden uit het verdrag te treden. Hierop staan geen sancties. Ook zijn er geen andere mechanismen om te voorkomen dat landen kernwapens ontwikkelen – er zijn geen strenge maatregelen genomen tegen Pakistan, India of Noord-Korea. Ten slotte is het zo dat de besluiten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties geen gewicht in de schaal leggen; bedenk maar dat de Verenigde Staten zonder enig VN-mandaat Irak hebben aangevallen, toen dat land dergelijke besluiten naast zich neerlegde. In onze ogen gaat het gevaar van destabilisatie niet in de eerste plaats uit van Iran, maar van de weinig tegemoetkomende houding van het Westen, gecombineerd met stappen die Teheran de overtuiging schenken dat agressie onvermijdelijk is.

Anderzijds lijkt het erop dat Iran werkelijk het plan koestert om kernwapens te ontwikkelen om als eerste te kunnen toeslaan tegen Israël en andere bondgenoten van Amerika in de regio. En dat het probleem niet zozeer is verergerd door de opstelling van de Verenigde Staten, als wel door de opkomst van radicale islamitische krachten in Iran zelf. Zo bezien zouden er maatregelen moeten worden genomen om de plannen van Iran een halt toe te roepen. Hierbij moet de mogelijkheid van militaire aanval niet worden uitgesloten om te voorkomen dat islamitische fundamentalisten kernwapens bemachtigen.

Rusland lijkt hierbij medeplichtig aan de Iraanse nucleaire agressie – het heeft immers lange tijd getracht de wereld te overtuigen van het civiele karakter van het Iraanse nucleaire programma en zoekt thans een formeel voorwendsel om zijn samenwerking met Iran te beëindigen.

Wij menen echter dat geen van deze twee benaderingen de werkelijkheid weergeeft. Het staat voor ons buiten kijf dat de Verenigde Staten en hun bondgenoten de ‘oorlog tegen het terrorisme’ hebben aangegrepen om zich met de regio te bemoeien. Zij dringen daarbij de wereld hun kijk op de situatie in het Midden-Oosten op: zij schilderen de opkomende krachten in de regio af als gevaarlijke agressors, en zichzelf als behoeders van veiligheid en vrijheid. De Nederlandse journalist Joris Luyendijk, auteur van de bestseller Het zijn net mensen, heeft de vraag gesteld: „Is het juist om een Arabische dictator, die heeft gekozen voor een beleid dat gericht is tegen de belangen van het Westen, antiwesters te noemen, zonder de Amerikaanse president een radicale anti-Arabist te noemen?’’ Dat is bepaald geen retorische vraag.

Gezien deze stand van zaken kan het niet anders of de krachten die zich keren tegen de Amerikaanse invloed in de regio, worden sterker. Iran mag de laatste tijd niet klagen. De Amerikaanse agressie heeft de voornaamste tegenstrever van Iran – Irak – vrijwel uitgeschakeld, en de shi’itische meerderheid in staat gesteld haar macht in het land te consolideren. En vorig jaar heeft Israël een door Hezbollah uitgelokte oorlog verloren, en zijn de radicalen van Hamas aan de macht gekomen in Palestina.

Door verspreid over de regio zijn invloed op te bouwen kan Iran het Midden-Oosten aaneensmeden, niet op basis van het failliete seculiere Arabische nationalisme, maar op basis van de tradities van de conservatieve islam. Dát – en niet de mogelijkheid dat Iran kernwapens zou kunnen verwerven – is de dreiging die van Iran uitgaat. Het Iraanse islamisme krijgt gestalte op staatsniveau. Dit land kent geen cellen van Al-Qaeda die bij een eventuele instabiliteit van het regime de hand zouden kunnen leggen op een atoombom.

Als het Westen iets wil doen tegen het toenemende gewicht van Iran, moet het geen nieuwe sancties opleggen via de Veiligheidsraad, maar kan het beter contact zoeken met regionale leiders die zich zorgen maken over de groeiende invloed van Iran. Europa en de Verenigde Staten moeten zich niet door hun eigen propaganda laten leiden. Zij kunnen beter onderscheid maken tussen factoren die de stabiliteit in de regio bevorderen en factoren die de ‘oorlog tegen het terrorisme’ doen voortduren.

Het Midden-Oosten heeft meer dan ooit behoefte aan stabiliteit. Het wordt tijd dat men zich realiseert dat de grootste invloed in de regio de komende jaren is weggelegd voor het land dat zich inspant om die stabiliteit tot stand te brengen. Daarbij is van ondergeschikt belang of het beschikt over een paar atoombommen of twaalf vliegdekschepen.

Vladislav Inozemtsev is een Russisch politicoloog en hoofdredacteur van de Russische editie van ‘Le Monde diplomatique’. Jekaterina Koeznetsova is analist aan het Centrum voor Postindustrieel Onderzoek. ©RIA Novosti.