Baken in netelige Franse historie

De analyse die de zaterdag overleden Franse historicus en politicoloog René Rémond maakte van modern rechts in zijn land, doet nog altijd opgeld.

Hij wilde de bedoelingen en beweegredenen begrijpen van zijn tijdgenoten en hun voorouders – veeleer dan een oordeel uitspreken. De Franse historicus en politicoloog René Rémond deed dat met zó veel gezag, dat hij in zijn land uitgroeide tot een van de autoriteiten van de twintigste eeuw. Zaterdag overleed hij op 88-jarige leeftijd in Parijs. President Chirac prees hem als toonbeeld van beschaving en erfgenaam van de Verlichting.

Aan erkenning ontbrak het Rémond niet. Hij bekleedde eervolle functies, met als hoogtepunt zijn benoeming in 1998 tot lid van de Académie Française, het college van ‘onsterfelijken’.

Bij de tv-kijker was Rémond bekend als de onvermijdelijke duider op verkiezingsavonden. Voor het eerst in 35 jaar is hij er zondag na de eerste ronde van de presidentsverkiezingen niet bij.

Maar het meeste aanzien ontleende hij aan wat blijft: een oeuvre van een dertigtal boeken, waaronder standaardwerken over de Franse politieke cultuur en over het katholicisme. Hij is de vader van de klassieke manier van kijken naar modern Frans rechts.

In 1954 maakte hij in ‘La Droite en France de 1815 à nos jours’ een onderscheid tussen drie hoofdstromingen: een legitimistisch rechts, contrarevolutionair en zeer katholiek; een meer liberaal en vernieuwend rechts (orléanistisch) en tenslotte bonapartistisch rechts, gekenmerkt door populisme en etatisme. De trekken van deze stromingen komen volgens hem – soms vermengd – steeds terug in de Franse historie. En zij gaan nog altijd op. Nicolas Sarkozy heeft zijn entrée gemaakt als mengvorm van het orléanistische en het bonapartistische rechts.

Rémond was geëngageerd. Lid van het verzet in de Tweede Wereldoorlog, actief als katholiek én als moreel ijkpunt. Hij werd erbij geroepen als Frankrijk een oplossing moest vinden voor netelige kwesties die met godsdienst en publieke orde te maken hadden. Zo redigeerde hij in 1993 een rapport over de bescherming van oorlogsmisdadiger Touvier door de katholieke kerk.

Tien jaar later nam hij deel aan de commissie-Stasi die adviseerde over aanpassingen in de wetgeving over de laïcité, de strikte scheiding tussen kerk en staat en de neutraliteit van het publieke domein. Dat leidde tot een serie aanbevelingen, variërend van de invoering van een joodse en islamitische feestdag tot het verbod op het dragen van de islamitische hoofddoek op openbare scholen. De teleurgestelde Rémond noemde het in deze krant „op het discriminerende af” dat alleen die laatste van 26 aanbevelingen werd opgenomen in de wet.

Zijn laatste publieke gevecht voerde Rémond tegen de tendens per wet vast te leggen hoe gevoelige delen van de geschiedenis – slavernij en kolonisering – gezien dienen te worden. Hij zag daar een directe bedreiging in van de vrijheid van meningsuiting.