Tegen de uniformerende norm van de bureaucratie

Het gelijkheidsdenken van de christen-democraten en sociaal-democraten begint verstikkende vormen aan te nemen. Iedere burger moet zich uniformeren. En dat terwijl ongelijkheid de basis vormt van democratische waarden, schrijft Paul Frissen.

Het gelijkheidsdenken heeft ons nog stevig in de greep. De verzorgingsstaat wil gelijkmaken wat verschillend is. Het kabinet laat niet na te benadrukken wat ons bindt. In die nadruk op ‘samen’ verbinden zich christen-democratisch gemeenschapsdenken en de sociaal-democratische voorkeur voor gelijkheid. Om dat te realiseren moet het beleid verheffen én nivelleren. De collectiviteit staat centraal. Rechtvaardigheid betekent dat we voor iedereen een gelijk niveau van startposities en liefst ook van uitkomsten willen garanderen.

Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zijn nog altijd gekoesterde waarden. Waar ik recht op heb in Amsterdam, moet ik ook in Maastricht kunnen krijgen. En als ik het in Amsterdam niet ontvangen kan, misgun ik het de Maastrichtenaar. Afgunst ligt vaak ten grondslag aan onze solidariteit. Verschillen zijn onaanvaardbaar, zeker in het publieke domein.

Door het gelijkheidsstreven is de regeldichtheid benauwend en zijn de systemen van controle en toezicht duizelingwekkend. In een ingewikkelde en gevarieerde samenleving stuit elke regel op de tragiek van de onbedoelde gevolgen. Niet alles is te voorzien, talloze gevolgen zijn onbedoeld. Dus maken we weer nieuwe regels met evenzovele onbedoelde gevolgen. De tragiek produceert een spiraal.

Om de illusie van regelnaleving in stand te houden richten we controletorens in. Daarin schrijven we de ene helft van het jaar op wat we gaan doen en rapporteren we de andere helft van het jaar waarom dat in de voorgaande periode niet is gelukt. Onbedoelde gevolgen buiten onze macht. We weten dat we ‘out of control’ zijn, maar ontkennen dat met vuistdikke rapportages. Zou een antropoloog dergelijk ritueel gedrag bij een vreemde stam waarnemen, dan zou hij weten dat deze in een culturele crisis verkeert.

In zo’n culturele crisis verkeert de verzorgingsstaat ook. De arrangementen die nodig zijn om gelijkheid collectief te realiseren zijn volledig abstract en anoniem geworden. Wie ziet nog enig verband tussen zijn belastingafdracht en de nobele waarde van solidariteit? Wie ervaart nog legitimiteit als het handelen van overheidsdienaren door prestatiecontracten wordt gestuurd? Wat betekent rechtsgelijkheid, als we allemaal verschillend en dus ongelijk zijn? De moslima die haar recht op anders-zijn (mannelijke collega’s geen hand willen geven) wil afdwingen, moet – ironisch genoeg – naar de Commissie Gelijke Behandeling. We zijn gelijk in onze fundamentele wens verschillend te zijn. Rechtsgelijkheid betekent ongelijke gevallen ongelijk behandelen. Er zijn nog slechts ongelijke gevallen.

Tegenover de werkelijkheid van verschil en ongelijkheid plaatst de verzorgingsstaat de uniformerende norm van de bureaucratie. De staat bedenkt wat gezondheid is, wat goed opvoeden is, wat een rechtvaardige gemeenschap is. De staat spreekt over rechten en plichten van burgerschap. En waar de burger eigen verantwoordelijkheid krijgt, moet hij daarmee wel doen wat de staat bevalt. Normalisering en disciplinering gaan hand in hand. En altijd vanuit de beste bedoelingen.

Om taalachterstanden te bestrijden komt er een taaltest voor driejarigen. Zo bevorderen we gelijke startposities. De gemiddelde NRC-lezer zal het zwijgen van zijn peuter met een ‘groeistuip’ weten te verklaren. En als dat niet helpt, biedt Spock wel uitkomst. Wat echter als de getatoeëerde en gepiercete vader of de ongeletterde, allochtone moeder het zwijgen van Johnny of Mohammed niet weten te verklaren? Kan vrijwillige opvoedingsondersteuning geweigerd worden? Preventie en repressie gaan steeds meer hand in hand. Hoe intensief zal de staat achter de voordeur moeten interveniëren om van ‘probleemwijken’ ‘prachtwijken’ te maken?

Ander voorbeeld: ouders richten zelf scholen op. Ze zijn ook nog bereid deze geheel uit eigen middelen te betalen. Dat kan natuurlijk niet. Onmiddellijk stort de wereld van politiek en toezicht er zich bovenop. De maat wordt genomen op basis van een kwaliteitsbegrip dat kennelijk vaststaat en eenduidig is. Onderwijs moet uniform zijn. Verschil en ongelijkheid zijn ongewenst. Maar van wie is de school eigenlijk? En wie definieert wat goed onderwijs is? De grote verworvenheid van de onderwijsvrijheid wordt ingeperkt in plaats van uitgebreid. Dat laatste zou natuurlijk passend zijn in een samenleving zo gevarieerd als de onze.

Een laatste voorbeeld: de gezondheidszorg. De stelselherziening heeft er toe geleid dat allerlei gevarieerde polissen zijn ontstaan. Verenigingen sluiten polissen voor hun leden, bijvoorbeeld patiënten met chronische aandoeningen. Een bijzondere vorm van gedifferentieerde solidariteit. In plaats van dat toe te juichen worden de zo gerealiseerde kortingen aan een zuinig maximum gebonden. In plaats van de variëteit te bevorderen wil de politiek het basispakket uitbreiden. De gedachte dat met privaat geld voorrang op de wachtlijst kan worden gekocht, vinden we onaanvaardbaar, zelfs als daarmee de wachtlijst voor iedereen korter wordt.

Als we minder regelzucht, minder verstikkende controles en minder bureaucratie willen, zullen we moeten ontregelen. De samenleving is gevarieerd en vitaal genoeg om zichzelf te sturen en te organiseren. Sterker nog: uit de biologie weten we dat variëteit voorwaarde is voor vitaliteit. Waarom erkennen we niet dat verschil en ongelijkheid niet alleen onvermijdelijk zijn, maar ook mooi en aangenaam. We kunnen ons dan concentreren op de zwakke belangen die we echt willen beschermen. Of beter nog: die we in staat willen stellen zich zelf te beschermen.

Verschil en ongelijkheid zijn bovendien democratische waarden. Tegenover een machtige staat met de monopolies van het geweld en de belastingheffing moet een krachtige burger staan. In al zijn verschil en ongelijkheid moet hij de totalitaire verleiding van gelijkheid, uniformiteit en normaliteit kunnen weerstaan. In de democratie gaat het immers niet om de vorming van een meerderheid, maar juist om de bescherming van minderheden. Op enig moment zijn we dat allemaal: minderheid.

Paul Frissen is decaan van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag, hoogleraar Bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Van zijn hand verscheen onlangs ‘De Staat van Verschil. Een Kritiek van de Gelijkheid’.

Paul Frissen houdt morgen het nieuwscollege ‘De lange arm van de staat. Bedenkingen bij het wij-gevoel van Balkenende IV’.17 april, 16.45 tot 17.45. Co-referent Arie Slob (CU) Lange Houtstraat 5, Den Haag. Legitimatie verplicht.