Studio

Mijn zondag begon onheilspellend omdat er weer eens iemand voor de trein was gesprongen net toen ik wilde afreizen. Rustte er wel enige zegen op deze ogenschijnlijk zo blakende dag? Het was afwachten.

Ik moest naar een radiostudio waar mijn schoonzoon live een programma zou presenteren. Haalde ik dat nog wel? Vóór de komst van de mobiele telefonie zou het me niet meer gelukt zijn, maar nu haal je zo’n doosje uit je binnenzak en binnen de kortste keren zijn reisplannen drastisch omgegooid en noodmaatregelen getroffen. Ik nam een trein naar de woonplaats van mijn dochter om samen per auto naar de studio te rijden. Kleinzoon Glenn ging ook mee.

Hij knikte vriendelijk toen ik op de voorbank plaatsnam, maar ik zag hem denken: „Wat doe jij nou opeens hier?” Ik mompelde nog wat over de treinvertraging, maar verzweeg de oorzaak angstvallig. Voor kinderen die nog met knuffels spelen, behoort er een paradijs op aarde te bestaan waar nooit iemand uit wordt verjaagd.

We maakten een korte rit langs weilanden met koeien, schapen en hier en daar een boerderij. De zon had al besloten een nationaal warmterecord te vestigen en was begonnen aan zijn warming-up. Alles om ons heen was groen en goud. Hoe kon het dat op zulke dagen toch nog vreselijke dingen gebeurden?

Bijna had ik het antwoord op die vraag gevonden, maar toen leidde Glenn me af met het woord ‘boeien’. Hij wees naar buiten. Ik zag koeien.

„Koeien”, zei ik dus.

„Boeien”, herhaalde hij nog enkele malen. Toen zei hij erachter, in een soort moedeloze poging om het mij uit te leggen: „Boe.”

Ik heb een hekel aan (groot)ouders die de genialiteit van hun (klein)kinderen benadrukken, maar deze zeer logische taalvondst mág ik niet voor mezelf houden.

Nog net op tijd arriveerden we bij de studio.

„Hier werkt papa nou”, zei ik tegen Glenn, „dit is de radiostudio.”

„Dat woord kent-ie nog niet”, zei mijn dochter.

Even later stonden we in de controlekamer, met een glazen wand gescheiden van de studio. De uitzending was net begonnen. Achter het glas leidde de vader van Glenn, gezeten aan een lange tafel, een gesprek met enkele gasten. Glenn kon het niet zien, hij zat in de kinderwagen en keek tegen het ondoorzichtige deel van de wand onder het glas. Hij kon wél de stem van zijn vader horen, maar daar vond hij niets bijzonders aan.

Na een poosje haalde mijn dochter hem uit de wagen en nam hem op de arm. Op dat moment zag hij voor het eerst zijn vader achter die tafel zitten, een microfoon voor zijn mond en een koptelefoon op. Hij viel helemaal stil. Hij had kunnen zwaaien en roepen, maar hij deed niets, de verbijstering was hem te machtig.

Hij moet zijn vader al in tal van poses hebben gezien, maar die van de eerbare beroepsuitoefening overtrof kennelijk alles. Het was of er een personage uit een van zijn kinderboekjes was gekropen en nu in levenden lijve voor hem zat.

Maar de volgende morgen, toen zijn vader weer naar zijn werk ging, zei hij opeens: „Papa naar studio.”

Ja, geniaal kind.