Steeds meer hoofddoeken in Tunis

Tunesië is een land van paradoxen. Vrouwen hebben er meer rechten dan in welk Arabisch land ook. Maar feministes klagen over concessies aan fundamentalisten.

Fatima is 23 en studeert Frans en Engels aan het Institut Bourguiba in Tunis. Voor de poort van de hogeschool lachen Fatima en haar vrienden, ze praten honderduit – modieus geklede jonge mannen en vrouwen met mobiel en mp3-spelers.

Fatima loopt langs de Avenue Bourguiba naar haar favoriete terras waar ze met haar vrienden ’s middags een pilsje drinken in de zon. „Dit is onze Champs Elysées”, zegt Fatima. De sfeer is gemoedelijk, het gesprek vrijmoedig.

Tunesië vierde vorig jaar de vijftigste verjaardag van de emancipatie van de vrouw. Sinds de stichter van de onafhankelijke republiek, Habib Bourguiba, in 1956 een drastische hervorming doorvoerde van het islamitisch familierecht geldt het land als het meest vooruitstrevende en op het Westen gerichte land in de Arabische wereld.

Maar Fatima klaagt dat „het lang niet allemaal vrijheid, blijheid is voor de Tunesische vrouwen. „Wij zitten hier nu op een terras, maar het is toch beter niet alleen te zitten als vrouw, en op het platteland al helemaal niet. Als vrouw moet je hier goed op je tellen passen.”

Even verderop in de Avenue de la Liberté bevindt zich het hoofdkwartier van de Tunesische Associatie van Democratische Vrouwen, de ATFD. Hadija Sherif staat aan het hoofd van deze feministische organisatie. „Ja, dit is het land van de paradoxen. Men verkondigt overal de vrijheid maar in werkelijkheid valt er niet veel van te merken”, zegt ze.

„Ook de ATFD wordt als organisatie op allerlei manieren door de overheid lastig gevallen. We worden geschaduwd en geïntimideerd. Terwijl de ATFD alleen het beste voor heeft met het land: de verbetering van de samenleving, de positie van de vrouw en het lot van de Tunesische families.”

Hadija Sherif ontkent niet dat in Tunesië sinds de onafhankelijkheid reuzenstappen zijn gezet. Maar „nu worden veel van die historische successen in snel tempo uitgehold”.

„Wij moeten beseffen dat de radicale moslimgroeperingen, zoals Ennahda, bestaan, al is die verboden. Maar die groepen groeien als sociale en politieke beweging en ze hebben mede door de oorlog in Irak en afgelopen zomer in Libanon opnieuw sterk de wind in de zeilen. En de regering opteert naast harde repressie ook meer en meer voor concessies aan deze groepen”, constateert Sherif.

Maar Faouzia Hamila laat er geen twijfel over bestaan: „Tunesië is het meest vooruitstevende land in Afrika en de Arabische wereld. De emancipatie van de vrouw in dit land is al jaren een feit.” Faouzia is woordvoerster van het door de regering gestichte en gefinancierde studiecentrum rond vrouwenzaken, Crédif.

Het herziene familierecht stelde al in 1956 dat in Tunesië man en vrouw gelijk zijn en polygamie is verboden. De vrouw kreeg het recht om zelf echtscheiding aan te vragen. En ook éénzijdige verstoting van de vrouw werd toen afgeschaft.

In een Crédif-publicatie in samenwerking met de Wereldbank wordt een gedetailleerd beeld geschetst van de vooruitgang van de vrouw, onder andere wat onderwijs, opleidingsniveau en professionele vertegenwoordiging betreft in alle sectoren van de economie. De cijfers liegen er niet om. Het land telt bovendien twee vrouwelijke ministers en vijf staatssecretarissen en ook een vrouwelijke procureur-generaal. Er is ook een heel radicale campagne voor geboortebeperking gelanceerd met als slogan ‘Qalil wa Dalil’ – beperk en vertroetel. In 1973 werd abortus gelegaliseerd.

President Ben Ali liet in 1993 het traditionele principe schrappen dat de vrouw het gezag van haar man dient te respecteren. Hij decreteerde de wederzijdse plicht tot respect en behulpzaamheid in het gezin en bij de opvoeding van de kinderen.

Maar toch blijven vrouwen in veel sectoren duidelijk achter als het om promotie gaat. En het blijkt in de praktijk erg moeilijk de traditionele ongelijkheid en achterstelling voor alle Tunesische vrouwen weg te werken.

„De vrouwenemancipatie in dit land is alleen iets om mee te pronken in het buitenland”, zegt feministe Hadija Sherif. „In brochures van het ministerie en rapporten van het al even officiële Crédif staan ronkende verklaringen omtrent de noodzaak van emancipatie. Maar in de praktijk moeten wij ons koest houden, ook over de discriminatie rond de erfenisregeling en geweld tegen vrouwen: ‘Daar wordt voor gezorgd, dames, niet zeuren!’, luidt de boodschap.”

Sherif vindt dat president Ben Ali de hervormingen uit het verleden gebruikt om aan de macht te blijven en er het Westen van te overtuigen dat Tunesië erg liberaal is. „Ben Ali pompt opvallend veel overheidsgeld in studiecentra die dure rapporten omtrent de vrouw en de progressieve hervormingen publiceren, altijd met de foto en een voorwoord van de president. Maar de minister van Vrouwenzaken, het Kind en de Familie wil ons zelfs niet ontvangen om bijvoorbeeld over dringende eisen met betrekking tot de bestrijding van geweld tegen vrouwen te praten”, zegt ze.

Volgens Faouzia Hamila van Crédif kan aan de ongelijkheid in erfeniskwesties – de vrouw krijgt maar de helft van de mannelijke erfgenaam – makkelijk een mouw worden gepast: „Er is een wet aangenomen die mogelijk maakt dat familieleden vrijwillige schenkingen kunnen doen aan de vrouwen in kwestie”, zegt ze.

Voor Hadija Sherif is dit „een heel typerend antwoord. Het regime hangt echt aan elkaar van dergelijke concessies”, zegt ze boos.

Ze onderstreept nog eens het volgens haar grotere gevaar. „De president onderdrukt aan één kant de moslimextremisten maar hij blijkt tegelijkertijd bereid tot meer en meer concessies om het opkomende moslimextremisme de wind uit de zeilen te nemen.”

„De aanhangers van Ennahda wijzen de vrouw aan als de schuldige van veel kwalen”, zegt ze. „Zij fulmineren: als er nu zoveel mannen werkloos zijn, dan is dat toch gewoon het gevolg van het feit dat de vrouw uit werken gaat. Zij willen de klok terugdraaien en de regering reageert niet”, waarschuwt ze.

„En dus zien we ook in het centrum van Tunis meer en meer vrouwen met hoofddoek – niet omdat zij dat zelf willen, maar juist omdat ze niet langer kunnen rekenen op de bescherming van de staat. En onze associatie mag niets ondernemen: geen debat, geen mobilisatie, geen congres, geen publicaties.”