Hete cocon

Het was onwezenlijk warm op de Laan op Zuid. Ik stond langs de kant te kijken naar de recreanten die zojuist het 25-kilometerpunt van de marathon van Rotterdam waren gepasseerd. Holle ogen tuurden naar een fata morgana, naar een onderaardse bron die koel natuurwater door het asfalt heen omhoog spoot.

De kopgroep met sierlijke Kenianen, onaangedaan door de hitte, denderde anderhalf uur eerder voorbij. De marathon zag er op dat moment nog vorstelijk uit. Mooie lopers in de zon op de vrije zondag. De mens, zeker als je naar de voorste atleten keek, was gemaakt om hard te lopen.

De geparkeerde auto’s leken belachelijke speeltjes van de moderne tijd. Alleen lopen telde.

De eigen pk van de mens volstond. Ons simpele motortje – ’s ochtends aan de praat gekregen met een bord pasta en een paar glazen dorstlesser – zou ons 42 kilometer en 195 meter verderop probleemloos aan de finish brengen.

Tot de hitte iedereen langzaam maar zeker de baas werd. Het motortje haperde massaal en lopen – laat staan rennen – leek opeens niet zo vanzelfsprekend meer.

Langs de kant nam ik afwijkingen waar. Een man tilde tijdens het lopen zijn knieën zo hoog op, dat je ging denken dat hij verderop over een heg moest springen. Een andere man hield onophoudelijk de achterkant van zijn linkerdijbeen beet. Een jongen liep zo ver voorover dat hij alleen maar bezig leek om te voorkomen dat hij zou vallen. Welkom bij het ministry of silly walks.

Ik keek de kilometerlange laan af. De marathon duurde al bijna drie uur en deze recreanten waren nog maar net over de helft. Hun schoenen klapten onregelmatig op het asfalt, als weifelend publiek na een abrupt slot van een concert. De lopers waren allemaal bevangen door de warmte. Er zat maar één gedachte in hun hoofd: de marathon uitlopen. En juist dat mislukte. De recreanten op de laan mochten van de organisatie niet meer linksaf naar het bos, nee, rechtuit wees de straffe hand, op naar de finish op de Coolsingel. De marathon was gestaakt.

Een dikke Engelsman met loopnummer 4167 was, zo aan zijn krachttermen te horen, niet van plan de orders van de marathondirectie op te volgen. Hij liep met ontbloot bovenlijf door en zou straks toch eigenwijs rechtsaf slaan. Ik zag hoe zijn tieten verbrand waren door de zon.

De massa liet zich morrend naar de eindstreep voeren. Scheefhangende monden die in sponsjes beten voor het laatste beetje vocht, natte fladderbroekjes hingen om uitgemergelde lichamen. Ze moesten vroegtijdig uit de marathon stappen. Wat restte was een medaille voor bewezen loopuren in de hitte.

Sirenes van ziekenauto’s weerkaatsten tussen de hoogbouw langs de laan. Telde ik op gehoor drie of zes ambulances? Verderop stond er één stil. Ik kon het niet laten poolshoogte te nemen. Had de Rotterdamse marathon een loopdode te melden, zoals tijdens de Vierdaagse van Nijmegen? Het viel mee. Een oude man langs de kant was door de hitte in elkaar gezakt. Hij kreeg een wit laken over zich heen en verdween gestrekt in de ziekenauto.

Terwijl de bezwete lopers in hun schaarse kleding de laatste meters aflegden, wachtte een gesluierd meisje in lange zwarte jurk tot ze de laan kon oversteken. Dát leek me nog eens heet, in die zwarte, afgesloten cocon. Dan kun je toch maar beter heilig geloven in het lopen van een marathon.