Fikkie

„Komt dat nou vaak voor, dat de bermen in de lente in de fik gaan?” Dit werd vorige week gevraagd op radio 1 – lang het ijkpunt voor correct Nederlands.

Is in de fik gaan dan geen correct Nederlands?

Ach, wat heet correct. Ja, bermbranden komen vaker voor in de lente, en ja, in de fik gaan is correct, dat wil zeggen: er is niks fout mee. Maar ik denk wel dat veel mensen het als een informele uitdrukking beschouwen, en daarom was het opmerkelijk dat het in een nieuwsprogramma op radio 1 te horen was.

Ooit, aan het begin van de twintigste eeuw, werden fik en fikkie niet zomaar een beetje als informeel beschouwd, nee, als men het al kende, vond men het uitgesproken plat, dieventaal zelfs.

In 1920 stond in het Handelsblad een artikel getiteld ‘Uit de dieventaal’. „Het vocabulaire van den Amsterdamschen straatjongen”, zo begint dit artikel, dat is geschreven door J. Wolthuis, „onderscheidt zich door tal van eigenaardige woorden en zegswijzen. In de volkswijken kennen de schooljongens allerlei slanguitdrukkingen, die niet tot het algemeen Amsterdamsch behooren, want buiten de genoemde buurten komen ze zoo niet voor.”

Vervolgens geeft Wolthuis een hele reeks voorbeelden – bekende en minder bekende woorden en uitdrukkingen. Zo noemt hij schoppelen (‘schommelen’) en stoepie blauw (‘overlopertje’) algemeen bekend Amsterdams. „Al minder bekend”, vervolgt Wolthuis, „is een fikkie maken: een hoop hout, stroo of andere brandbare stoffen in brand steken. Dit werk is namelijk buitengewoon populair in de buurten waar okkies (gebrande duiveboonen) en polkabrokken verkrijgbaar zijn” – lees: in de Jordaan, lang de armste buurt van Amsterdam.

Volgens Wolthuis waren fikkie en een fikkie maken dus plat-Amsterdams, beperkt tot het dialect van de Jordaan, waar veel ‘dieventaal’ te horen was.

In 1929 wijdde de Nieuwe Rotterdamsche Courant een beschouwing aan het woord fikkie, dat indertijd ook als fukkie werd uitgesproken – een vormvariant die nu tot grote misverstanden zou kunnen leiden („een lekker fukkie”). De correspondent uit Wormerveer schreef: „Fikkie of ook wel fukkie is, evenals knudden en hufter, een echt Zaansch woord. Niet onwaarschijnlijk dus dat de talrijke Amsterdam bezoekende en te Amsterdam werkende Zaankanters het woord naar Amsterdam overbrachten, want de Amsterdammers praten van brandjes bijvoorbeeld op Hartjesdag en Luilak, daags voor Pinkster. De Zaansche fikkies of fukkies zijn speciaal kleine brandjes door straatjongens gemaakt, hier meestal met Sint-Maarten – 11 November – en in de schoolvacanties. En een fuk is een min of meer groote brand in de volkstaal.”

Het woord leidde tot een kleine discussie in de krant. Een leraar schreef: „Aangezien ik het woord fikkie voor ‘brand’ nooit gehoord had, stelde ik heden de vraag in mijn klas, bestaande uit jongens van 13 en 14 jaar, wie van hen wist wat ‘’t is een mooi fikkie’ beteekende. Ik stond werkelijk verrast, dat de overgroote meerderheid der leerlingen deze zegswijze kende. Prompt kwam het antwoord: ‘een mooi brandje, meneer!’ Ik vermoed, dat we hier wel te doen zullen hebben met een woord, dat zijn oorsprong heeft in het Bargoensch en wel in de misdadigerstaal.”

In welke regio fik(kie) is ontstaan, is niet bekend, maar het zou inderdaad goed Noord-Holland kunnen zijn. Zeker is dat het lang als zeer plat is beschouwd – als een woord dat je absoluut niet op de radio diende te gebruiken.

Ewoud Sanders

Reacties zijn welkom via www.nrc.nl/woordhoek