De marathonloper roept: Help, help! Ik ben dood!

Een hardloper van 24 werd gisteren onwel tijdens de marathon van Rotterdam.

Hij was niet de enige, en daarom liet de organisatie het evenement stopzetten.

Zondagmiddag 14.28 uur, Kralingseplaslaan bij de haven, vijf kilometer voor de finish. Met een doffe klap valt marathonloper nummer 1568 op de grond. Hij blijft midden op de straat liggen.

Een jongen in een roze overhemd loopt naar hem toe en knielt naast hem neer. Een vrouw in een strakke rode jurk komt met een bekertje water en giet het over zijn hoofd. „Wij ook, wij ook”, roepen een paar jongetjes van een jaar of drie. Ze vullen hun bekertjes in een grote emmer en rennen achter haar aan. Het hoempapaorkest, op de stoep, houdt op met spelen. Twee politievrouwen, een met blond en een met zwart haar, gaan bij de marathonloper staan en vragen of hij overeind kan komen.

De marathonloper zegt niets. Hij heeft zijn ogen dicht. Zijn gezicht is wit.

De jongen naast hem trekt een stuk van zijn overhemd uit zijn broek en houdt het omhoog, tegen de zon. De twee politievrouwen kijken een paar minuten en dan pakken ze hem op. Ze leggen hem op de stoep, in de schaduw. Daarna vragen ze door hun portofoon of er een ambulance kan komen. Het hoempapaorkest begint weer te spelen.

Een dikke man met een petje van de Nederlandse Hartstichting op komt bij hem zitten. „Hoe gaat-ie?” vraagt hij. De marathonloper kreunt en zegt:

„Ik durf niet.”

„Wat durf je niet?”

„Ik durf niet te liggen.”

„Oké, dan blijf je zitten.”

De man van de Hartstichting loopt weg, de twee politievrouwen lopen ook weg. De jongen in het roze overhemd – Luc de Vreede heet hij, en hij is 20 jaar – blijft bij de marathonloper zitten, zijn arm om hem heen. De marathonloper zegt hoe hij heet. (Maar we noemen zijn naam om privacyredenen niet, red.) Hij is 24 jaar. Hij komt uit België en hij is leraar. Het is de tweede keer dat hij de marathon loopt. De eerste keer ging het goed. En nu ging het ook goed. Totdat hij viel. „Verdomme”, zegt hij. „Verdomme.”

De vrouw in de rode jurk deelt bekertjes water uit aan de mensen die nog aan het rennen zijn. De kleine jongetjes helpen haar.

Om 14.38 uur komen de twee politievrouwen weer terug. De blonde knielt en zegt: „Je moet nog even wachten. De ambulance komt zo. Het is erg druk en bij jou is het niet evensbedreigend.”

De marathonloper zucht. „Kan ik iets voor je betekenen?” vraagt de politievrouw. „Moet ik iemand voor je bellen? Wil je iets eten?”

De marathonloper zucht weer en fluistert iets. De politievrouw kan hem niet verstaan, het hoempapa-orkest speelt te hard.

„Zeg het nog eens”, zegt ze.

„Als ik hier nou sterf”, zegt hij.

„Sterven? Nee hoor, je sterft niet. Ik ben er ook nog.”

„Dat zeg jij, dat ik niet sterf.”

„Je sterft niet. Volgend jaar loop jij hier weer de marathon.”

Het gezicht van de marathonloper wordt opeens nog veel witter. Hij spert zijn mond open. „Ik moet kotsen”, zegt hij. „Ik heb pijn. Au, au, ik heb pijn.” Hij wijst naar zijn middenrif. „Au, au, help me, help me.”

„Duw hem naar rechts”, zegt de politievrouw tegen Luc de Vreede. Die doet het meteen. En hij kijkt op de hartslagmeter die de marathonloper om zijn pols heeft. „Hij zit op 158”, zegt hij. „Daarnet was het 117.” De politievrouw roept in haar portofoon dat de ambulance met spoed moet komen. De marathonloper kokhalst een paar keer en begint dan zwaar te hijgen. „Help me, help me”, kreunt hij. Daarna: „Papa, papa.”

„Kom op”, zegt de politievrouw. „Geen paniek, hè. Volgend jaar loop je hier weer de marathon.”

Om 14.45 uur komt het bericht door dat de marathon is stopgezet wegens de hitte. Er zouden ook doden zijn gevallen, maar niemand weet het zeker. Het hoempapaorkest speelt door en de de vrouw in de rode jurk blijft samen met de jongetjes water uitdelen. Luc de Vreede gaat achter de marathonloper zitten, zodat die tegen hem aan kan leunen. De marathonloper spert zijn mond steeds wijder open en hijgt zwaar. De man van de Hartstichting is er weer en buigt zich over hem heen. Hij slaat hem zacht in het gezicht. „Kom op, geen paniek, hè. Probeer eens rustig te ademen. Heb je broers en zussen?”

„Ja!”, zegt de marathonloper. „Ik heb twee broers.” Hij noemt hun namen. „Een is er dood.” Hij jammert en hijgt daarna nog zwaarder.

De politievrouw met het zwarte haar legt haar hand op zijn been. „Op welke school heb je gezeten?” vraagt ze.

Geen antwoord.

„Hou je van patat met mayonaise? Eten we de volgende keer patat met mayonaise?”

Geen antwoord.

De blonde politievrouw vraagt door de portofoon waar de ambulance blijft. „Hoogste spoed”, zegt ze. Een jongen in een legergroen shirt komt aanlopen en blijft staan kijken. „Hij moet liggen”, zegt hij. „Ik ben medisch onderlegd. Het bloed moet naar zijn hoofd stromen.”

„Nee”, zegt de man van de Hartstichting. „Hij moet zitten. Misschien heeft hij een herseninfarct gehad.”

De jongen in het groen haalt zijn schouders op en loopt weg.

Om 14.52 uur is er nog geen ambulance. „Geef me eens een hand”, zegt de man van de Hartstichting tegen de marathonloper. „Op het moment dat je het koud krijgt, wil ik het weten. Heb je het koud?”

Geen antwoord. De blonde politievrouw loopt naar het hoempapa-orkest en vraagt of ze willen ophouden met spelen.

Om 14.58 uur komt de ambulance de hoek om rijden. Twee broeders stappen uit en een van de twee zegt: „Hallo.” „Hallo”, zegt de man van de Hartstichting. Hij wijst naar de marathonloper. „Hij is niet weg geweest. Hij is wel misselijk. Ik denk dat hij richting shock gaat.”

„Nee”, roept de marathonloper. „Ik ben niet misselijk. Ik wil niet sterven. Ik wil alleen maar niet sterven.”

„Gebeurt niet”, zegt de broeder.

„Jawel”, roept de marathonloper. „Help me, ik wil hartmassage. Ik ga sterven. Ik heb kramp in mijn voet. Ik moet morgen lesgeven. Help me, ik wil hartmassage.”

De twee broeders en de man van de Hartstichting pakken hem op en leggen hem op de brancard. „Mama, mama”, roept de marathonloper. „Ik ga sterven.” Hij kijkt op zijn hartslagmeter. Die staat op nul. „Help!”, roept hij. „Help! Ik ben dood.”

„Nee, jongen”, zegt Luc de Vreede. „Je leeft nog. Ik heb dat ding losgemaakt.”

De brancard wordt de ambulance ingeschoven, de broeders stappen in. De politievrouw loopt naar het hoempapaorkest en zegt: „Laat maar weer horen, hoor, die muziek.” Luc de Vreede gaat naar zijn vrienden die verderop staan. De vrouw in de rode jurk deelt nog steeds water uit, maar er zijn geen mensen meer die rennen. Het mag niet van de organisatie. Iedereen moet lopen naar de finish.