Zwicht niet voor censuur. Angst mag open debat niet in de weg staan

De Nieuwe Kerk is bij zijn tentoonstelling veel te makkelijk gezwicht voor Turkse druk over de tekst van de catalogus. Dat is symptomatisch. We dreigen de ogen te sluiten voor pogingen om een open debat over zaken die te maken hebben met immigratie, onmogelijk te maken.

Herman Vuijsje

Socioloog, zelfstandig journalist en schrijver. Ontving de Prix des Ambassadeurs voor zijn boek ‘Correct’ (1998). Schreef met Jos van der Lans ‘Lage Landen, hoge sprongen, Nederland in verandering 1898-1998.’

Begin vorig jaar kreeg Stanley Bremer, directeur van het Wereldmuseum in Rotterdam, onverwacht bezoek. Terwijl de opbouw van een tentoonstelling over Tibet en de Dalai Lama’s in volle gang was, diende zich een delegatie van de Chinese ambassade aan. Beleefd doch dringend opperden de Chinezen een serie correcties in de presentatie. De ‘verovering’ van Tibet door China moest worden veranderd in ‘bevrijding’ en de Dalai Lama was niet gevlucht, maar had vrijwillig het land verlaten.

Bremer en zijn staf raakten hierdoor in een moeilijk parket. Ze waren ook een tentoonstelling over China aan het voorbereiden. Bovendien heeft Rotterdam nauwe economische banden met China; juist in die periode vertoefde burgemeester Opstelten met een grote zakendelegatie in zusterstad Shanghai. Maar, zei een woordvoerster van het Wereldmuseum: „We leven in Nederland en niet in China. We zijn een culturele instelling en cultuur staat voor vrijheid van meningsuiting.” Het Wereldmuseum hield de rug recht en wist de poging van de Chinezen te pareren.

Bij de tentoonstelling ‘Istanbul. De stad en de Sultan’ in de Amsterdamse Nieuwe Kerk, die morgen eindigt, is het anders gelopen. Hier zwichtte de directie wel voor inmenging. Op aandringen van de Turkse overheid ontdeed zij de catalogus van passages over de Armeense genocide, homoseksualiteit in het Ottomaanse Rijk en de stichting van Istanbul door Griekse kolonisten. Nederlandse turkologen die aan de catalogus zouden bijdragen, weigerden de gevraagde wijzigingen door te voeren. De Nieuwe Kerk besloot daarop de betrokken artikelen helemáál uit de catalogus te houden. Dat gebeurde volgens een woordvoerder van de Nieuwe Kerk „met respect voor zowel de auteurs als de Turkse overheid”. Trouwens, die catalogus was maar ‘een bijproduct’, aldus directeur Ernst Veen. Wel had hij erg zijn best gedaan om de Turken te vermurwen, maar ja, ze wilden niet.

Nu de tentoonstelling voorbij is, kunnen we de balans opmaken. De Nieuwe Kerk heeft zich gediskwalificeerd als serieus te nemen culturele instelling. Bewust gepleegde geschiedvervalsing en censuur op wetenschappelijke bijdragen zijn al erg genoeg – het droevige stalinistische gedraai over ‘respect voor de auteurs’ doet de deur dicht.

Minstens even verontrustend is de reactie van de buitenwereld, of liever: het uitblijven daarvan. Van de gemeente Amsterdam, die de tentoonstelling mede mogelijk maakte via een garantiesubsidie uit het budget voor Verblijfstoerisme Stimulerende Evenementen, werd niets vernomen. Ook van andere culturele instellingen, musea en debatcentra kwam geen protest. Blijkbaar hebben zij er geen moeite mee als de centrale waarde waarop hun hele bestaan en functioneren berust, geweld wordt aangedaan.

Een van de weinigen die zich wél uitspraken, was Stanley Bremer van dat Rotterdamse Wereldmuseum. Hij zei: „Als we hieraan gaan toegeven, zijn we verloren.” Als we zwichten voor op het oog misschien kleine aantastingen van onze basiswaarden, zullen we steeds verder afglijden.

Nog niet zo lang geleden was deze gedachtegang – in een heel andere context – populair in weldenkend Nederland. In de jaren zeventig en tachtig werd het ‘glijbaan’-argument steevast naar voren gebracht om kritische uitspraken over groepen immigranten in de kiem te smoren. Iedere kritische referentie aan het adres van zulke groepen zou ons op een hellend vlak brengen: het toestaan van zulke uitlatingen zou ons onvermijdelijk doen afglijden naar de diepste krochten van racisme en fascisme. Daarom was het beter net te doen of je niks gezien had.

Het ‘glijbaandenken’ werd destijds dus in de strijd geworpen om het vrije debat te ringeloren. Gelukkig behoren deze decennia van politieke correctheid nu tot het verleden. Tegenwoordig mag je in Nederland bijna alles zeggen en schrijven. Ik denk dat we in ons land nooit een vrijer debatklimaat hebben gekend dan nu.

Misschien zijn we daar al zo aan gewend geraakt dat we geen oog hebben voor de bedreigingen. Dit keer komen die bedreigingen niet voort uit politiek-correcte zelfcensuur, maar uit censuur die wordt afgedwongen door nationalistische en religieuze zeloten. En dit keer is, als we daaraan toegeven, de kans dat we van kwaad tot erger vervallen wel degelijk levensgroot. Het is hoog tijd om het gevaar van ‘afglijden’ opnieuw naar voren te brengen – dit keer niet om het publieke debat te smoren, maar om het te redden.

In feite is dat afglijden al begonnen; dat leren ons de lauwe reacties op de houding van de Nieuwe Kerk. Bij eerdere pogingen om het vrije woord de das om te doen, ontstond grote ophef, toonden de betrokkenen zich vaak standvastig en sprongen collega’s voor elkaar in de bres. Toen joodse demonstranten in 1987 de opvoering van Fassbinders toneelstuk ‘Het vuil, de stad en de dood’ verhinderden, hield regisseur Johan Doesburg toch één voorstelling en drukte de Haagse Post de integrale tekst af. Twee jaar later, toen Salman Rushdie door een fatwa werd getroffen, verklaarden overal ter wereld schrijvers zich solidair. Ook in 2004, na de doodsbedreiging tegen Ayaan Hirsi Ali, nam een reeks schrijvers en journalisten het voor haar op.

In 2001 was de voorgenomen opvoering van de opera Aïsha door het Onafhankelijk Toneel mikpunt. Nadat de Marokkaanse acteurs van moslimzijde waren bedreigd, stelden zij voor de gewraakte passages dan maar uit de voorstelling te verwijderen. Regisseur Gerrit Timmers weigerde echter een knieval te maken en besloot te hele zaak af te gelasten – het omgekeerde van wat de Nieuwe Kerk nu met die catalogus heeft gedaan.

Eind 2005, begin 2006, werd de Deense krant Jyllands-Posten ernstig door radicale moslims bedreigd vanwege de ‘cartoonaffaire’. In veel Europese landen, ook in Nederland, toonden kranten zich solidair met hun Deense collega’s door de cartoons ook af te drukken. Eind 2006 vermande de Deutsche Oper zich en voerde, ondanks moslimdreigementen, Mozarts opera Idomeneo toch uit. Na enorme ophef en onder zware bewaking. Maar er doemen de laatste tijd ook gevallen op waarin dit soort standvastigheid niet meer vanzelfsprekend is. In juni 2006 censureerde het Utrechtse universiteitsbestuur het afscheidscollege van de judaïst Pieter van der Horst, die had willen spreken over antisemitisme in islamitische landen. De protesten waren niet uitbundig. Maart 2007 gelastte de universiteit van Leeds een lezing van de Duitse historicus Matthias Küntzel over hetzelfde onderwerp af, na klachten van moslimstudenten. En nu is er dus de relatieve stilte rond de zelfcensuur van de Nieuwe Kerk.

Het glijbaan-effect dat hier zichtbaar wordt, is tweeledig. Niet alleen wordt zwichten voor tirannieke druk klaarblijkelijk eerder geaccepteerd, ook is er voor dat zwichten minder nodig. De film Submission die Theo van Gogh het leven kostte en Hirsi Ali op doodsbedreigingen kwam te staan, wordt niet meer vertoond en het voorgenomen vervolg Submission 2 wordt vooralsnog niet gemaakt. Een besluit van producent Column Producties dat behalve droevig ook begrijpelijk is.

Moest de directeur van de Nieuwe Kerk ook voor zijn leven vrezen? Nee, er waren andere redenen, liet hij in een Volkskrant-interview op 26 februari weten: „We waren er op dat moment al twee jaar mee bezig, we hadden er al twee miljoen euro in gestoken.” Stoppen zou ‘een zeer grote inkomensderving’ zijn geweest.

Met deze overweging plaatste hij zich in een oude Hollandse traditie, zou je kunnen zeggen. Als het om dukaten ging, waren onze voorouders bereid om voor de duvel en z’n ouwe moer de horlepiep te dansen. Zo mochten de Hollanders tussen 1636 en 1854 als enige westerse natie een factorij in Japan onderhouden, op het eilandje Desjima bij Nagasaki. Voorwaarde was dat ze hun bijbels zouden weggooien – een eis waaraan ze zonder morren gehoor gaven.

Maar nu staat er meer op het spel: de fundamenten van onze maatschappelijke orde zijn in het geding. Daarbij speelt ook een punt waaraan tot nu toe nog weinig aandacht is besteed. Door nonchalant met die fundamenten om te springen, brengen we niet alleen de in Nederland gekoesterde maatschappelijke orde in gevaar. We brengen daarmee ook schade toe aan de kansen van de islamitische minderheid om aan die maatschappelijke orde deel te nemen.

De onderhuidse spanningen die in Nederland bestaan tussen autochtonen en islamieten, komen deels voort uit onzekerheid. Veel Nederlanders zijn onzeker over de houding van islamieten tegenover radicale moslims en moslimterreur. Door een samenspel van terughoudendheid in Nederlandse en islamitische kring zijn daarover geen betrouwbare gegevens voorhanden. Enerzijds verbood de politiek-correcte consensus het in kaart brengen van etnische groepen als afzonderlijke entiteiten; anderzijds speelde de geslotenheid van de moslimwereld een rol.

In de bundel Hoe nu verder? over Nederland na de moord op Theo van Gogh (2006) gokt arabist Hans Jansen dat zo’n twintig procent van de Nederlandse moslims tot de fanatieke islamisten behoort, terwijl vijftig procent zich niet openlijk afzet tegen de radicale islam en dertig procent ‘afvallig’ is. Een sleutelrol wordt dus gespeeld door de grote ‘zwijgende’ middengroep. Niet alleen doordat de fanatieke voorhoede zich daarin kan verschuilen, maar ook doordat het zwijgen van die groep een zware hypotheek legt op het beeld dat Nederlanders van ‘de moslims’ hebben. Als ze zich niet duidelijk uitspreken tegen fanatisme en terreur, zijn die moslims dan wel te vertrouwen?

Door het gebrek aan goed onderzoek weten we weinig over de motieven van die zwijgzaamheid, maar het is niet moeilijk een plausibele reden te geven: angst. Het moslimradicalisme keert zich het heftigst tegen de ‘afvalligen’, een groep waartoe in de ogen van de fanatiekelingen alle gematigde moslims gerekend kunnen worden, schrijft Chris Ruttenfrans in bovengenoemde bundel. „Die gematigde moslims weten dat ook, en daarom horen wij zo weinig van hen.” Wat Nederlanders al gauw aanzien voor heimelijke sympathie voor terroristen, kan dus heel goed neerkomen op angst. Zo wakkeren twee soorten angst elkaar aan, waardoor ook angst voor elkáár een voedingsbodem vindt.

Het is dus van onschatbaar belang dat dit angstig zwijgen van grote groepen moslims wordt doorbroken. Autochtone Nederlanders kunnen die doorbraak niet forceren, maar kunnen wel helpen zo goed mogelijke voorwaarden te scheppen. Hoe? Door in ieder geval het goede voorbeeld te geven en te laten zien dat zij zelf ernst maken met die maatschappelijke orde van dat volk dat niet voor tirannen zwicht. Doen we het tegendeel, zoals de Nieuwe Kerk deed, en houden we als omgeving onze mond daarover, dan moedigen we dat zwijgen in islamitische kring juist aan. Dan laten we zien dat we zwichten en zwijgen accepteren, ook als het niet om ons leven maar onze euro’s gaat.

Willen we de verstrengeling van angsten doorbreken, dan moeten we ons uitspreken, voor elkaar in de bres durven springen en elkaar durven aanspreken. Misschien een tip voor het Rijksmuseum, dat dit jaar ook met een tentoonstelling in de Nieuwe Kerk komt. Onderwerp: ‘Helden van Holland’.