Wie nog gelooft doet dat dieper

De ontkerkelijking zet door, zo blijkt uit het vierde onderzoek naar God in Nederland. Maar het maatschappelijk belang van kerk en geloof wordt nog breed erkend.

Steeds meer kerkgangers houden het voor gezien, het aantal gelovigen blijft afnemen. Toch blijven de maatschappelijke steun voor de kerken en de betekenis die men hecht aan religie groot. Van de Nederlanders gaat 16 procent regelmatig naar de kerk, maar 78 procent vindt dat de kerken moeten blijven. Men ziet kerken als instanties die een belangrijke rol hebben bij zingeving.

Nederlanders vinden in grote meerderheid dat religie belangrijk is voor het behoud van waarden en normen. Kerken dragen er, naar hun oordeel, verder toe bij dat zwakke groepen niet aan hun lot worden overgelaten. Een meerderheid van de Nederlanders (55 procent) zegt zich met het christendom verwant te voelen. Op de tweede plaats komt het humanisme (8,5 procent).

Het onderzoek God in Nederland, waarvan de resultaten vandaag worden gepubliceerd, toont aan dat het ontkerkelijkingsproces doorzet. Gerard Dekker, emeritus hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, schrijft dat er tien jaar geleden aanwijzingen waren dat het proces van ontkerkelijking aan het afzwakken was. De gegevens van het huidige onderzoek maken echter duidelijk dat „het ontkerkelijkingsproces zich nog steeds onverminderd voortzet”. Het aantal mensen dat zichzelf gelovig noemt is de afgelopen tien jaar gedaald van 67 naar 62 procent. Bij verder doorvragen blijkt slechts 40 procent gelovig te zijn op de traditionele manier van kerken en godsdienstige groeperingen.

In 1996 stelden de onderzoekers nog dat de kerkelijkheid wel terugliep, maar de gelovigheid niet. Tien jaar later is dat beeld heel anders. Aangenomen mag worden dat het proces van afnemende gelovigheid verder zal doorzetten, omdat vooral jongeren zichzelf als niet-gelovig kwalificeren.

De onderzoekers constateren dat dit niet haaks hoeft te staan op de prominente plaats die religie de laatste tijd in het publieke debat heeft. Dat is niet alleen het gevolg van het debat over de islam, maar ook van het feit dat het geloof juist belangrijker is geworden voor de mensen die wel geloven. „Vooral het aantal gelovigen dat zegt dat hun geloof een zeer grote betekenis in hun leven heeft, is relatief sterk toegenomen”, aldus Dekker. Hij ziet daarin aanzetten voor een explicietere polarisatie tussen geloof en ongeloof.

Ton Bernts, directeur van Kaski, instituut voor onderzoek naar religie en levensbeschouwing, noemt het opmerkelijk dat niet alleen de morele, maar ook de rituele functie van religie nog altijd zo hoog wordt aangeslagen. Vooral op belangrijke levensmomenten, bij geboorte, huwelijk en overlijden, blijken velen op het stramien van kerkelijke rituelen terug te vallen, al is het dan meestal met een persoonlijke invulling.

Onder buitenkerkelijken bestaat er „onverwacht veel erkenning van het sociale kapitaal dat religie biedt”, schrijft Bernts. Ook objectief is dat ‘sociale kapitaal’ van religie vast te stellen, stellen de onderzoekers vast. Zo doen kerkleden veel vaker vrijwilligerswerk dan buitenkerkelijken (46 tegen 29 procent) en besteden ze er ook meer tijd aan (5,4 tegen 4,8 uur per week). Overigens blijkt dat ook ‘nieuwe spirituelen’ – mensen die wel religieus of spiritueel geïnteresseerd zijn maar geen kerkelijke binding hebben – vaker dan gemiddeld vrijwilligerswerk verrichten. „Nieuwe religiositeit” is niet per definitie ik-gericht, zoals wel is verondersteld.

Religie blijkt door de meeste Nederlanders niettemin als een persoonlijke aangelegenheid te worden gezien. Het accent ligt steeds minder op geloofswaarheden die door de groep worden beleden en steeds meer op de beleving. Joep de Hart, onderzoeker van het Sociaal en Cultureel Planbureau, spreekt zelfs van een „moderne bevindelijkheid”. Mensen worden vooral aangetrokken door de optimistische kant van het geloof, zoals het geloof in een leven na de dood, het geloof in wonderen et cetera. Zonde, hel en verdoemenis raken steeds meer buiten beeld.

Tweederde van de Nederlanders bidt, zo blijkt uit het onderzoek. Zelfs een kwart van de niet-gelovigen zegt wel eens te bidden. Het bidden heeft vaak niet zo zeer het karakter van het traditionele aanroepen van God, bij voorbeeld in geval persoonlijke nood, maar is meer een vorm van meditatieve zelfbespiegeling, een psychotechniek ter herstel van het innerlijk evenwicht.

De onderzoekers concluderen dat permanente kerkelijke participatie nog maar voor een kleine groep Nederlanders van belang is, maar dat er wel behoefte is aan religieuze ad hoc-voorzieningen. Veel Nederlanders gedragen zich als „spirituele nomaden” die zich in de loop van hun leven aan diverse bronnen laven: een bezinningsweekeinde in een abdij, een Matthäuspassion in het voorjaar, een yogacursus en een kerstviering in een mooie kerk. Kerken zouden naar hun oordeel beter moeten inspelen op het individualistische karakter van de moderne religiositeit, de kwaliteit van de kerkdiensten moeten verhogen (verkondiging, muziek) en moeten werken aan een verbetering van het kerkelijk spreken over maatschappelijke en politieke kwesties.

Zie ook: www.katholieknederland.nl/kruispunt