Uitschakelen genen verhoogt het effect van chemotherapie

Het effect van chemokuren tegen kanker kan worden verbeterd door in de tumor de activiteit van bepaalde genen stil te leggen. Onderzoekers van de University of Texas Southwestern in Dallas hebben tussen ruim 21.000 genen er 87 gevonden die hiervoor in aanmerking komen. Elk van die genen vermindert – zo lang hij actief is – de gevoeligheid van gekweekte longkankercellen voor paclitaxel, een veelgebruikt kankermedicijn.

Deze vondst maakt het in principe mogelijk om de dosering van dit agressieve medicijn te verlagen zonder zijn dodende werking op de kankercellen te verminderen. Als dit ook voor andere middelen geldt, hoeven kankerpatiënten minder last te hebben van de bijwerkingen van chemotherapie (Nature, 12 april).

Bij het onderzoek werd alleen met geïsoleerde en gekweekte kankercellen gewerkt. Verder onderzoek moet uitwijzen of de blokkade van bepaalde genen in levende dieren en uiteindelijk bij patiënten dezelfde positieve gevolgen heeft.

De klassieke medicijnen die tijdens een chemokuur tegen kanker worden ingezet, zijn welbeschouwd paardenmiddelen. Ze doden alle delende cellen in het lichaam. Niet alleen de kwaadaardige tumorcellen, maar ook gezonde cellen die van nature vaak delen. Daardoor ontstaan bijwerkingen zoals haaruitval, misselijkheid en bloedarmoede. Bovendien slaan de chemokuren soms helemaal niet aan. Dat kan komen doordat sommige kankercellen moleculaire pompen hebben, waarmee ze de middelen acuut weer naar buiten werken.

De Texaanse onderzoekers zijn op zoek naar methoden om de gevoeligheid van kankercellen voor cytostatica te verhogen. Daartoe zochten zij in gekweekte cellen van een bepaald type longkanker naar genen die hierop van invloed zijn.

Dat deden zij met behulp van kleine RNA-moleculen, de zogeheten small interfering RNA’s (siRNA’s). Deze kunnen specifiek genen stilleggen. De methoden om siRNA’s die klus niet alleen in celkweken maar ook in dieren of mensen te laten klaren, krijgen onderzoekers steeds beter onder de knie. Voor elk gen zijn inmiddels wel enkele siRNA’s beschikbaar. De onderzoekers brachten de bij een gen behorende siRNA’s in contact met de longkankercellen. Vervolgens voegden zij hieraan paclitaxel toe in een dosering die normaal gesproken te laag zou zijn om veel effect te sorteren. Twee dagen later maten zij of de kankercellen de behandeling hadden overleefd. Op die manier testten ze 21.000 genen en vonden er 87 waarbij de cellen ook dood gingen bij de eigenlijk te lage doses paclitaxel. De zes genen die bij paclitaxel het grootste effect vertoonden zijn ook getest met andere cytostatica: vinorelbine en gemcitabine. Stilleggen van die genen beïnvloedde deze middelen veel minder. De invloed van een gen is dus sterk afhankelijk van het gebruikte medicijn. Huup Dassen