Ridders, raiders of redders

‘Aandeelhouders als roofridders van de 21ste eeuw’, ‘Kom in verzet tegen de roofridders’; en ‘Roofridder? Vuilnisman in krijtstreep.’ Drie koppen in de krant van de laatste zeven dagen geven aan dat het beeld van een bijzonder soort middeleeuws ondernemerschap nog steeds sterk tot de verbeelding spreekt. In de bijbehorende artikelen blijkt dat het bij deze eigentijdse ridders gaat om de uiteenlopende soorten private-equityfondsen die erop uit zijn weerloze ondernemingen aan de lans te rijgen. Deze week was de Tweede Kamer bezig met hoorzittingen om in beeld te krijgen hoe deze fondsen werken, wat ze aanrichten en of we daar blij mee moeten zijn.

Het is wel een interessante stijlfiguur, de vergelijking tussen de geharnaste ridders van toen, en de krijtstreep dragende financiële kampioenen van nu. In beide gevallen gaat het om vechtersbazen met een opdracht – zij strijden in naam van iemand anders, voor een koning, een paus of voor grote beleggers. Zij belijden een abstract ideaal – gerechtigheid in het land, of de verwijdering van slecht presterende bestuurders en de verhoging van aandeelhouderswaarde. En ze worden er in het bevechten van hun doelen zelf niet slechter op.

De Nederlandse historicus J. Huizinga heeft in zijn prachtige studie Herfsttij der Middeleeuwen belangwekkende dingen gezegd over ridders, het ridderideaal en ridderorden. In oorsprong lag er een ethisch ideaal ten grondslag aan de ridderidee, zegt hij. Het ging erom „aan een levensideaal een edele plaats te geven door het in betrekking te stellen tot vroomheid en deugd”. Het was de bedoeling de wereld te verbeteren en er zelf ook beter van te worden. In de praktijk is het daar nooit echt van gekomen, zegt Huizinga, omdat in het ideaal zelf het begin lag van een innerlijke rot: „De kern van het ideaal blijft de tot schoonheid verheven hoogmoed.” Het ging er namelijk vanuit dat de ridder of de ridderstand beter weet wat goed is voor iedereen, en dat het op grond daarvan normaal is om zonder verdere vragen jonkvrouwen uit een kasteel mee te nemen en schurken een kopje kleiner te maken.

„Het type van de Engelse gentleman heeft zich regelrecht ontwikkeld uit de oude ridder, maar getemperd en verfijnd”, zegt Huizinga in 1919. Het lijkt mij dat hij, met weglating van de tempering en de verfijning, ook had kunnen wijzen op het dynamische en vaak agressieve ondernemerschap dat ook in zijn tijd bekend was. Robber barons was de betiteling die het Amerikaanse publiek gaf aan de Carnegies, de Morgans en de Rockefellers van die tijd, en met roofbaronnen zit je niet ver van roofridders. Daarmee is tegelijk ook aangegeven dat we in deze tijd getuigen zijn van gevechten tussen gelijken. Het gaat om ridders onderling. De belaagden willen zich nog wel eens voordoen als de blanke jonkvrouw die wordt geroofd door een gewetenloze onverlaat, maar zij zijn in mentaliteit en manier van doen niet anders. De krijtstrepen van de bestuurskamers en die van de City, wie ziet het verschil? Op zijn hoogst zijn het ridders van verschillende orden.

In oorsprong begon het ridderideaal met verheven doelen. Maar het ridderschap heeft zijn verlokkingen. Voor je het weet verliezen individuele ridders de hoge idealen van hun stand uit het oog. Zij zijn ook maar de hele tijd alleen op pad, op zijn hoogst vergezeld van een schildknaap en een aandenken aan hun vereerde dame. Soms knaagt de honger en dan wil je wel eens een kapoen uit de kippenren van een boer confisqueren. Of je staat, aan de andere kant van de armoedeschaal, een keer in een vorstelijke schatkamer en je vraagt je af waar jouw kuise armoede toe dient als er ook zoveel luxe en rijkdom te vergaren valt. Zeker voor iemand die niet bang is voor gevaar en goed kan vechten. Dan wordt een ridder tot roofridder, als hij het hoge ideaal vergeet of verzaakt, en als lagere begeerten van bezit en belangrijk-zijn de overhand krijgen. Gewapend, vechtlustig en begerig, worden hij en zijn collega’s een plaag voor het land, zeker voor een land dat een lange tijd van vrede heeft gekend en waar de boeren nooit wapens hebben gehad of ze hebben laten verroesten. Dat gaat weerloos ten onder. De verzamelde roofridders kunnen intussen wel roepen dat zij heilzaam werk verrichten door te dikke boeren mager en strijdbaar te maken, maar overtuigend klinkt dat niet.

Het is goed dat de Tweede Kamer zich bemoeit met de ridders en roofridders. In legendarische tijden was het Koning Arthur die de gewapende vechtjassen van zijn rijk in het gareel moest krijgen. Dat deed hij door de Ronde Tafel te stichten. Daaraan werden alleen de besten van het land toegelaten, en hij zorgde er zelf voor dat die niet alleen sterk maar ook goed waren. En hij richtte de energie van de tafel op het bereiken van een hoog doel, het vinden van de heilige Graal. Die zou zich alleen openbaren aan hem die moed en rechtvaardigheid combineerde met zelfbeheersing en wijsheid. Historische machthebbers als de koningen van Frankrijk zochten een ander ver en moeilijk bereikbaar doel voor hun wildemannen, en vonden dat in de verovering van Jeruzalem. „Ga maar ergens anders vechten”, was ongeveer de boodschap. „Kom maar terug als je klaar bent en breng de buit mee.”

Ridders moeten een kader hebben om hun energie op te richten. Ze vinden het misschien niet leuk en ze zullen zeggen dat zij belemmerd worden in hun nobele werk, maar het is altijd al zo geweest. Er moet iemand opstaan, een persoon of een instituut van gezag, die het heeft over een Graal of desnoods Jeruzalem. De hoogmoed moet beteugeld worden en richting krijgen. Die richting moet komen van iets of iemand die niet zelf ridder is of het wil zijn. Koning Arthur streed zelf niet mee, want een ridder die een concurrent in het oog krijgt, velt onmiddellijk zijn lans om hem uit het zadel te werpen. De uitdaging voor de Tweede Kamer wordt, met koninklijk gezag te spreken om ridderenergie te richten.