Pulau Tao trekt nog twee bezoekers per dag

Aanslagen en rampen hebben het toerisme in Indonesië de afgelopen jaren geen goed gedaan. Bijna niemand bezoekt meer het Tobameer op Sumatra.

De deuren hangen uit hun sponningen, het dak lekt, de verf is afgebladderd. Kortom, verval in zijn zuiverste vorm.

Maar de tuin is nog altijd wonderschoon op dit paradijselijk stille eilandje van zo’n 800 bij 400 meter groot. Pulau Tao heet het en het ligt in het vulkanische Tobameer in het noorden van Sumatra. Een aangenaam klimaat zo’n 900 meter boven de zeespiegel.

Het idee van een klein hotel met restaurant op dit eiland was zo gek nog niet en vroeger werkten er zo’n dertig man personeel om het gasten naar de zin te maken. Nu telt de staf nog negen mensen, maar wat die de hele dag doen, behalve rondhangen, blijft een raadsel.

Gemiddeld niet meer dan twee mensen per dag brengen tegenwoordig een bezoek aan Pulau Tao, ze brengen hun eigen eten mee. Dat is voor de keuken eigenlijk ook wel zo gemakkelijk, want anders zit je maar met voorraad. Overnachten kan niet meer, de houten verblijven op palen aan het water zijn overwoekerd.

De toeristensector in Indonesië heeft de laatste jaren fikse klappen gekregen. Het oog valt dan steeds op Bali, met zijn complete serviceaanbod de magneet van het land. Daar gaat het minder, maar de infrastructuur staat en kan een klap opvangen. Juist in de rest van het land met zijn marginale voorzieningen voor de toerist, verpietert alles sinds toeristen na 9/11, na de Indonesische bomaanslagen, na de aardbevingen en de tsunami en na alle overige berichten van onheil het land links laten liggen.

Het Tobameer is zo’n plek, honderd bij dertig kilometer groot, gelegen in het noorden van Sumatra op vier uur rijden van de stad Medan. Zelfs het beste hotel van het grote eiland Samosir heeft nog maar enkele uren per dag warm water, biedt versleten lakens, lekkende kranen, kapotte stopcontacten. Het eertijds imposante gastenverblijf voor de Bataafsche Petroleum Maatschappij, een voorloper van Shell, in Berastagi staat leeg. Onderweg naar het meer duikt de ene bouwval na de andere op – allemaal hotels uit de jaren tachtig en negentig, die zijn verlaten.

Radin is ober op Pulau Tao en bedient dus doorgaans per dag twee mensen. Zijn salaris is gedaald naar 450.000 roepia per maand (ongeveer veertig euro) en met deze klandizie maak je dat met fooien niet meer goed. Hoe lang kan dit zo doorgaan? Radin (45) voelt zich overvallen door de vraag, maar houdt het uiteindelijk op „een jaar of vier”.

In dit gebied wonen bataks – voornamelijk katholiek of protestants. Er zijn geen moslims. Overal op het grote eiland Samosir staan dure praalgraven en de bataks spenderen veel geld en tijd aan hun doden. Dat helpt waarschijnlijk wel om de economische tristesse van alledag maar op de koop toe te nemen, want die is maar tijdelijk.

Radin heeft een aantal jaren goed geboerd met een eigen viskwekerij. Maar alle vissen in het Tobameer zijn aan een mysterieus herpesvirus doodgegaan. Er zijn geen viskwekers meer – de meesten zoeken het sindsdien in rijst, mango’s of uien. Een Zwitsers visbedrijf kweekt nu in het groot tilapia, maar dat vergt schaalgrootte en ketenmanagement – kuit in Thailand, filet in Europa – wat voor een kleine batak niet is weggelegd.

De regent van het 130.000 inwoners tellende Samosir woont in een statig houten pand, dat zo van de Veluwe van een eeuw geleden lijkt weggeplukt, compleet met gaanderij en veranda. De gastvrije vrouw des huizes laat het pand eerder gegeneerd dan trots zien. Het echtpaar wil er weg. Er wordt in de buurt nieuw voor hen gebouwd, want zoals zo vaak in dit land houdt ook de familie Simbolon meer van nieuw dan van oud. Afbreken doet men hier nooit wat, dus straks is de weg vrij voor overwoekering van het honderd jaar oude gebouw.

De paar toeristen die nog op Samosir komen zijn voornamelijk Nederlanders. Ze laten zich het minst door alle Indonesische rampspoed weerhouden, een vleugje tempo dulu doet de rest.

De regent heeft grootse plannen met zijn eiland, heeft er zelfs een video over laten maken, maar het woord dat het meest valt wanneer je de vriendelijke mensen hier spreekt, klinkt vertrouwd Nederlands: ‘bankroet’.