Kenianen hebben geen benul van beeldvorming

Kenianen domineren al tien jaar de marathons. Het is vrijwel zeker dat morgen in Rotterdam opnieuw een Keniaan wint. Wat is de verklaring van die overmacht? „Ze zijn met zó veel, dat maakt het verschil.”

Na een snelle scan van de deelnemerslijst van de Rotterdam Marathon weet Michel Boeting genoeg. „Oh, die is in vorm, let op hem. Nee, met hem hoef je geen rekening te houden. En hij? Ligt eraan hoe hij is hersteld van een allergie-aanval.” Of de loper nu William Kipsang, Rodgers Rop, Patrick Ivuti, Wilson Onsare, Salim Kipsang of Charles Kibiwott heet, Boeting kent hun achtergronden en hun eigenaardigheden. De anonieme Kenianen komen bij hem tot leven.

Waag het niet in Boetings nabijheid te reppen over de inwisselbaarheid van alle Keniaanse marathonlopers. Dan wordt de voormalige atletenmanager van Jos Hermens’ bureau Global Sports Communications verontwaardigd.

„Natuurlijk, ik ken de meeste jongens persoonlijk en het grote publiek niet. Maar dan nog is zo’n uitspraak zó gemakkelijk”, zegt Boeting. „Het zijn stuk voor stuk atleten die een goed verhaal te vertellen hebben. Alleen, dat doen ze niet, omdat Kenianen het niet gewoon zijn. Moet je Mart Smeets bij Studio Sport horen als er een Amerikaan goed gepresteerd heeft. Hij doet dan voorkomen alsof dat drie keer zo bijzonder is. Maar het verschil is dat een Amerikaan zichzelf goed verkoopt, terwijl menig Keniaan een beter verhaal te vertellen heeft.”

De bescheidenheid van de Kenianen leidt er toe dat zij in de westerse media vaak als kleurloos worden afgeschilderd. Dat steekt Boeting, die bij Jos Hermens zeven jaar verantwoordelijk was voor de Keniaanse lopers en wat dieper in hun ziel heeft kunnen kijken. Inmiddels is hij wegens een arbeidsconflict gebrouilleerd met de atletenmanager en moet hij vanwege een concurrentiebeding twee jaar wachten om een eigen bureau te beginnen. Hoewel Boeting zich grommend aan die regeling houdt, heeft hij nog veel contact met Keniaanse lopers.

Op een zonnig terras in zijn woonplaats Cuijk schetst Boeting de cultuurkloof tussen Kenianen en westerlingen. „Neem Kamiel Maase; die is nu al bezig met de Olympische Spelen van volgend jaar in Peking. De Kenianen niet, afgezien van de vraag of ze worden uitgezonden. Een Keniaan maakt zich niet druk en leeft bij de dag. Een gezegde in Kenia luidt: ‘Denk niet aan de dag, die zorgt voor zichzelf.’ Waar een westerse atleet zich gedetailleerd op een wedstrijd voorbereid, zal het de Keniaan een zorg zijn in welk hotel hij slaapt of het bed goed is en het eten te pruimen is. Als hij maar weet wanneer hij moet vliegen. Nee, dat is geen desinteresse maar een levenshouding, want als sporter leven ze zeer gedisciplineerd.”

Als manager heeft Boeting zich vaak aan de Keniaanse lichtvoetigheid gestoord. Maar hij ziet ook veel voordelen. „Ze zijn absoluut niet bezig met hun status en hebben geen grote ego’s die bevredigd moeten worden. Bovendien kennen ze vrijwel geen faalangst. Maar ze zien er ook weer niet het nut van in hun ziel bloot te leggen. Kenianen praten niet graag over zichzelf en al helemaal niet tegenover een vreemde verslaggever. Hij denkt: waarom zou ik me blootgeven tegenover iemand die ik niet ken? Ze hebben geen benul van beeldvorming en zien het nut er niet van in. Dat leidt vooral tot frustraties bij de schoenensponsors, die bij voorkeur een atleet onder contract nemen die wat te vertellen heeft. Maar de meeste Kenianen verkopen zichzelf slecht, terwijl ze na afloop van een wedstrijd tegen mij vaak de mooiste verhalen vertelden. ‘Zeg dat ook eens tegen een verslaggever’, zei ik dan. Maar de noodzaak zien ze daar niet van in. Ik ben wel eens jaloers op wielrenners, die na afloop onmiddellijk beschikbaar zijn voor de pers, hun gesponsorde kleding toonbaar hebben en altijd een verhaal hebben. Maar hun is het met de paplepel ingegoten, terwijl de meeste Keniaanse atleten van het platteland komen en nooit enig commercieel denken is bijgebracht.”

Als er al één verklaring voor de dominantie van Keniaanse marathonlopers – ‘Rotterdam’ werd de laatste acht jaar gewonnen door een Keniaan – is, houdt Boeting het op de kwantiteit. „Ze zijn met zó veel, dat maakt het verschil. Vergelijk dat met Nederland waar van de 2.500 licentiehouders er zich een handvol serieus met hun sport bezighoudt. In Kenia zijn er zeker 3.000 fulltime atleet, van wie een duizendtal de internationale wedstrijden loopt. En dan tel ik de lopers die op de highschools serieus worden getraind nog niet eens mee. Natuurlijk, de Keniaanse lopers hebben hun lichaamsbouw mee, hebben het voordeel van wonen op hoogte en maakt de veelal arme afkomst hen hongerig naar succes. Maar daarmee is niet alles verklaard. ‘Ook een gen moet getraind worden, anders doet-ie niks’, zei ooit een wetenschapper. En zo is het maar net.”

De eerste die inzag welke grote mogelijkheden Keniaanse lopers hebben, was de Italiaan Gabrielle Rosa. Hij begon in de jaren negentig met een permanent trainingskamp voor zo’n 300 marathonlopers en had al snel succes, waarna vele managers volgden en eigen loopkampen stichtten. Vanaf dat moment was de opmars van Kenianen niet te stoppen, temeer omdat de marathon ook geld opleverde.

Maar in de verdiensten schuilt ook een gevaar. Boeting weet dat als geen ander. „Familie en vrienden van een atleet oefenen grote druk uit, omdat ook zij van de verdiensten hopen te profiteren. Voor de loper is het verleidelijk om dan te kiezen voor het snelle geld en niet te investeren in zijn carrière. Ik heb vele gesprekken moeten voeren om atleten ervan te overtuigen dat ze stap voor stap hun doel moeten nastreven. Ik ga uit van het principe dat het geld de atleet volgt en de atleet niet het geld.”

Om welke bedragen het gaat? Volgens Boeting aan startgeld om bedragen tussen nul dollar voor een coming man en 200.000 dollar voor de wereldrecordhouder Paul Tergat. Maar voor Kenianen, wier vaders vaak niet meer dan 600 dollar per jaar verdienen, gaat het al heel gauw om veel geld.