‘Ik ga nooit meer terug’

Honderdduizenden zijn de oorlog in Irak ontvlucht naar Jordanië. Vermogend, soms met koffers vol zwart geld, zijn ze in hun SUV’s niet naar kampen, maar naar de villawijken in Amman gereden.

Trots laat de Iraakse zakenman Abbas Shamara de tekeningen van een twintig verdiepingen tellende toren van glas en blauw staal in de Jordaanse hoofdstad Amman zien.

„Wij, de Irakezen, hebben Jordanië wakker geschud. Het was tijd dat zij uit hun bed kwamen en aan de slag gingen. Wij hebben van Amman een boomtown gemaakt. De Jordaanse mañana-cultuur is afgeschaft”, zegt hij toch zonder een spoor van arrogantie.

De bouw van het nieuwe hoofdkantoor, waar zijn Shamara Group na de verhuizing uit de zwaar bewaakte ‘Groene Zone’ van Bagdad wordt ondergebracht, is bijna klaar. „Ik ken veel Jordaniërs die er net zo over denken en die de afgelopen jaren miljonair zijn geworden”, zegt hij over de klaagzangen van de Jordaanse media en de regering dat de Iraakse ‘vluchtelingen’ het land ontwrichten.

Volgens uiteenlopende schattingen zijn 750.000, maar mogelijk zelfs één miljoen Irakezen sinds 2004 uitgeweken naar het kleine, bijna zes miljoen inwoners tellende Jordanië. Het bedaagde, karakterloze Amman (2,6 miljoen inwoners) is opeens een gewilde, want veilige vluchthaven geworden. Het onmiddellijke gevolg van deze invasie is dat de prijzen van huizen, appartementen en bouwland met 200 tot 250 procent zijn gestegen.

Sla een krant open of begin een gesprekje in een koffiehuis en snel wordt duidelijk dat de prijsstijgingen bij de kapper, de benzinepomp, de bakker, de slager en op de markt zijn veroorzaakt door ‘dé Irakezen’. Dat geldt eveneens voor de zichtbaar toegenomen files, het groeiende aantal hoerententen, de verloedering van islamitische normen en waarden en eigenlijk ook de catastrofe in Irak zelf. Soennitisch Jordanië bewonderde immers Saddam Hussein.

De shi’itische Shamara, die al in 1994 begon aan de verhuizing van zijn bedrijven naar Amman, rekent voor dat de economie van het hasjemitische koninkrijk niet voor niets met 6 procent per jaar groeit. „Reken maar mee. Van minder dan 10 dollar per dag kan niemand hier leven. Dus 750.000 maal 10 is 7,5 miljoen dollar. 7,5 miljoen dollar maal 365 dagen is 2,7 miljard dollar per jaar. En dan heb ik de investeringen in onroerend goed en in nieuwe bedrijven van Irakezen, Libanezen, Saoedi’s en Qatarezen nog niet eens meegerekend. De bouw, de banken, de bakker, de supermarkt, iedereen profiteert van onze aanwezigheid en van de petrodollars die investeringen zoeken.”

Op de kaart van Amman wijst hij tientallen grote bouwprojecten (hotels, winkelcentra, kantoren van vliegmaatschappijen uit Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten) aan waarbij Iraakse investeerders of bouwbedrijven zijn betrokken. De Kamer van Koophandel van Amman denkt dat de Iraakse ‘vluchtelingen’ in de afgelopen vier jaar ‘minstens’ 100 miljard dollar in Jordanië hebben geïnvesteerd, vooral in onroerend goed en in Amman geregistreerde constructiebedrijven, banken en private-equityfondsen.

„De top-100 van het Iraakse bedrijfsleven heeft zich nu hier gevestigd. Amman is de zakenhoofdstad van Irak geworden. De elite en de elite van de elite zijn massaal verhuisd van Bagdad naar Amman en daarom is Amman eindelijk a place to be geworden”, zegt Shamara. Hij bestuurt zijn imperium, met belangen in de Iraakse en Saoedische olie-industrie, de wegenbouw en de elektriciteitsvoorziening, op afstand.

Niet alleen de grootste Iraakse ondernemingen kozen voor Amman, café- en restauranthouders in Bagdad, de eigenaren van kleine handelsfirma’s, advertentie- en mediabedrijven en de IT-sector openden hier nieuwe vestigingen. Wat rampzalig is voor Irak – het land bloedt leeg door de Amerikaanse bezetting – lijkt dus goed te zijn voor Jordanië.

„Ja, maar geen stad ter wereld kan in korte tijd de uitbreiding van het aantal inwoners met bijna 40 procent verwerken. Ik kan met mijn docentensalaris geen appartement in West-Amman meer kopen. De Jordaanse middenklasse heeft het er moeilijk mee”, zegt Mohammed Masri van het Centrum voor Strategische Studies van de Universiteit van Jordanië. „En er zijn ernstige problemen met de water- en elektriciteitsvoorziening in Amman ontstaan, het openbaar vervoer is bezweken en we hebben er een serieus file- en milieuprobleem bij gekregen”, zegt de Jordaans-Palestijnse politicoloog.

De burgemeester van Amman heeft de regering gevraagd snel een nieuwe elektriciteitscentrale en een ontziltingsfabriek te bouwen. Koning Abdullah II heeft de ontwikkeling van zijn plannen voor de bouw van een kernenergiecentrale versneld en wil dat de internationale gemeenschap Jordanië extra hulp biedt door de armste Irakezen te erkennen als echte vluchtelingen en elders te huisvesten.

Het percentage werkelijk arme Irakezen is in Amman relatief klein en heeft zich in Oost-Amman gevestigd, waar de stad overloopt in de Palestijnse vluchtelingenkampen. „Hooguit 10 procent, want Amman is gewoon te duur voor hen”, denkt Masri. De grote meerderheid van de ‘vluchtelingen’ beschikte over eigen vermogen, een bedrijf, een gewild specialisme, een rijke vader of koffers vol met zwart geld. „Er is volgens mij een kolossale witwasoperatie uitgevoerd, ook met gestolen buitenlandse hulpgelden. Irak was en is nog steeds zeer corrupt”, zegt de onderzoeker.

Feit is dat de displaced persons, zoals de gevluchte Irakezen in het jargon van de VN heten, met hun SUV’s met zwart-witte nummerplaten niet naar kampen of opvangcentra reden, maar rechtstreeks naar de betere én de allerduurste wijken van West-Amman, zoals Abdoun. Woningzoekende Jordaniërs komen er in deze wijken niet meer tussen, tenzij zij zich bedragen van 5 miljoen dollar (voor een villa) of 1 miljoen (voor een vierkamerappartement) kunnen veroorloven.

In het hagelwitte Abdoun met brede boulevards wordt het beeld bepaald door roomkleurige villa’s, waar Filippijnse dienstmeisjes in de weer zijn met de kinderen en Egyptische tuinmannen het gras besproeien alsof er geen waterschaarste heerst. Op de parkeerplaatsen van Starbuck’s en de shoppingsmalls staan uitsluitend Porsche Cayennes, Maserati’s en Toyota Landcruisers geparkeerd. Abdoun wordt in de volksmond Adhamiya genoemd, een verwijzing naar een gelijknamige, soennitische buurt in Bagdad.

Maar ook de centraler gelegen Shmeisani en Gardens zijn geleidelijk aan overgenomen door mondaine Iraakse kappers, chique winkels, Iraakse restaurants, bars, bedrijfjes en nachtclubs. „Beiroet zullen we niet worden, maar het is wel een stuk leuker geworden in Amman'', zegt Saleem Rabien, een Jordaanse student aan de hotelschool.

Erg druk over hun vage, tijdelijke verblijfsstatus lijken de Irakezen in deze wijken zich niet te maken. Jordanië zet alleen de armen wier verblijfsvergunning is verlopen het land uit. Zakenman Shamara legt uit dat de vermogende Irakezen hun verblijfsvergunning hebben gekocht door 150.000 dollar op een geblokkeerde Jordaanse bankrekening te storten. „Mind you, 150.000 dollar per persoon en niet per familie. En ik heb 70 familieleden”, lacht hij.

Daarom heeft hij gekozen voor de tweede mogelijkheid, het stichten van een Jordaans bedrijf met Jordaanse werknemers op de loonlijst. Naar rato van het aantal Jordaanse werknemers mogen er Irakezen in dienst genomen worden en die komen dan ook in aanmerking voor een tijdelijke verblijfsvergunning. „De Jordaniërs klagen, maar mijn vrienden in de regering weten heel goed hoe zij een voor iedereen gunstige deal in elkaar moeten zetten.”

Mohammed Masri is ook tot de conclusie gekomen dat de regering het slim heeft aangepakt. „Op de arbeidsmarkt is tot nu toe geen sprake van een verdringingseffect, niet aan de onderkant en zeker niet aan de bovenkant. De werkgelegenheid groeit juist en er dreigen tekorten aan hoogopgeleiden in de financiëlediensten- en de IT-sector. Als de Irakezen opeens massaal zouden vertrekken, zou dat zeer nadelig zijn.”

Dat zijn succesvolle nieuwkomers als de modieuze kapper Sameel Khalil in Shmeisani niet van plan. Hij heeft zijn eerste zaak inmiddels uitgebreid met nieuwe filialen. „Ik ben één keer terug gegaan naar Bagdad om de situatie te verkennen, maar heb meteen rechtsomkeer gemaakt. Ik ben bijna 45 en ik zie het niet gebeuren dat ik daar nog zal terugkeren. Bagdad is naar het stenen tijdperk gebombardeerd.”

Het liefst zou hij naar New York verhuizen, maar Khalil vindt het eerst tijd worden dat Jordanië hem wegens zijn verdiensten („ik heb veertig Jordaniërs in dienst”) een Jordaans paspoort verstrekt.

Dat Jordaanse paspoort zal hij niet krijgen. Dat is alleen voorbehouden aan degenen die kunnen aantonen dat hun vader Jordaniër is. „Het regime is zeer beducht voor het verstoren van het evenwicht. We hebben al te maken met honderdduizenden Palestijnse vluchtelingen die ook een paspoort willen en dat niet zullen krijgen”, legt Mohammed Masri uit.

Daar komt bij dat een deel van het conservatieve Jordaanse establishment en het soennitische Islamitische Actiefront de Iraakse nieuwkomers te modern en te liberaal vinden. In de pers van het IAF en in moskeeën wordt geklaagd over de stijging van het aantal Iraakse nachtclubs waar Oost-Europese vrouwen alcohol serveren aan voormalige Ba’athpartij-officieren en jonge Saoedische mannen die zich ongestoord willen vermaken.

Een van die clubs zou Café Shamuri in de wijk Gardens zijn. Eigenaar is Mohammed Aqari, voormalig kolonel van een van de veiligheidsdiensten van Saddam Hussein. Het ‘zedenloze’ karakter van Shamuri valt reusachtig mee. Zijn clientèle van hoofdzakelijk soennitische yuppies brengt de avond door met backgammon, domino en waterpijp. Koffie, thee en nargilla’s met appel- of aardbeientabak worden geserveerd door Egyptische kelners, want Aqari zegt geen Jordaans personeel meer te kunnen krijgen.

De gesprekken gaan over auto’s, voetbal, de laatste kidnappings, explosies en moorden in Bagdad en over de figuren die Irak „hebben leeggezogen en leeggeplunderd”. Eén keer in de week, op donderdagavond, treedt hier een buikdanseres op, doorgaans een uitgeweken beroemdheid uit Bagdad.

Aqari, een beginnende vijftiger met zichtbaar gezag onder zijn klanten: „Niemand, maar dan ook niemand in de Iraakse gemeenschap wil moeilijkheden maken. Iedereen heeft er belang bij dat wij worden geaccepteerd, want we kunnen niet terug. Al mijn vrienden hebben het druk genoeg met overleven en de meesten dromen over een visum voor Amerika of Australië.”

De vrees van de Jordaanse regering dat de strijd tussen shi’iten en soennieten overslaat naar Amman noemt hij ongegrond. „De mukhabarat [de veiligheidsdienst, red.] ziet en hoort alles. En de belangen van de leiders zijn hier veel te groot. Niemand wil het risico lopen te worden teruggestuurd naar het brandende huis Irak.”

In het naburige Iraakse restaurant Sumer, waar heimweevoedsel wordt geserveerd, luncht koopvaardijofficier Amir Hamid, een vijftiger met droeve ogen. Een deel van de Iraakse commerciële vloot, gespecialiseerd in het transport van gas en olie, is in Amman geregistreerd. Een uur geleden heeft hij zijn bejaarde ouders op het vliegtuig naar Bagdad gezet. Hij zit in spanning. Ieder moment kan zijn vader bellen dat zij veilig zijn aangekomen.

„Ze zijn hier vijf maanden geweest, maar ze werden ziek van heimwee. Het werd hier in Amman ook te duur voor hen. Alles kost hier tien maal zoveel als in Bagdad. Mijn vader is bijna door al zijn spaargeld heen en voor ouderen is het niet makkelijk zich aan te passen in een nieuwe stad. Het was voor het eerst dat mijn ouders Irak hadden verlaten”, vertelt Hamid.

Natuurlijk is hij ongerust, maar hij zegt voortdurend tegen zichzelf dat de situatie in centraal-Bagdad „een beetje veiliger” is geworden en „dat de situatie stap voor stap aan het verbeteren is”. De Iraakse media vertellen niet het „volledige verhaal”. Hoopt hij.