Een jonge blikslager uit de Karpatenwijk

Een Nederlands stel ontfermt zich over een Roemeense zigeunerjongen. „Een neurotische mail: De Dove dreigde hem tot moes te slaan als hij niet onmiddellijk de schuld afbetaalde.”

Zo langzaam mogelijk reden we Caracal binnen, een stadje in het zuiden van Roemenië. We waren op weg naar de Karpatenwijk, waar bijna tienduizend Roma wonen. De laatste keer dat we er logeerden, alweer tien jaar geleden, kregen we knallende ruzie met onze gastheer, Ion Vasile. Daarna hoorden we niets meer van hem.

In de Karpatenwijk leek niets veranderd te zijn. De straten waren nog steeds niet geasfalteerd. Ion Vasile woonde in de Straat van de Ontknechting, een naam die refereerde aan de afschaffing van de slavernij waaronder de Roemeense Roma tot circa 1860 moesten leven. Links en rechts lagen afvalhopen tegen de hekken. Het huis van Ion zag er nog net zo uit als we ons herinnerden, het was van baksteen en het had één verdieping, maar toch kon ik bijna niet geloven dat dit het was. In andere Roemeense plaatsen had ik gezien dat Roma hun huizen hadden opgeknapt met geld dat ze in het buitenland verdienden. Maar dit huis was alleen maar meer scheefgezakt, de stenen verder afgesleten, het erf met smeriger modder bedekt.

We parkeerden naast een afvalhoop en deden het hek naar het erf open. Ion, grijs geworden, kwam het huis uit. Hij was een voortand kwijt, in zijn mond gaapte een zwart gat. Verlegen noodde hij ons zijn woonkamer binnen, een ruimte van ongeveer negen vierkante meter. Aaarrgh, wat oud en vies was alles hier. We gingen zitten op een bank met een kleed erover, Ion’s bed. Ik voelde de springveren er doorheen steken. Op een etensbord lag een gloeilamp waaruit draden staken die rechtstreeks een stekkerdoos ingingen. Het was de enige verlichting, behalve de deur naar buiten had het kamertje geen ramen.

De conversatie verliep ongemakkelijk. Gelukkig kwam er steeds meer familie binnenlopen. „Hoe is het met die, hoe is het met die?”, vroegen wij. Ik was vooral benieuwd naar David, een neefje dat vroeger bij Ion in huis woonde. Samen met zijn jongere zus werd hij verzorgd door de moeder van Ion, zijn oma. Wij hadden altijd een bijzondere band met hem gehad. Tijdens onze bezoeken tussen 1991 en 1995 zagen we hem van een negenjarig jochie in een beginnende puber veranderen. Hij was aanhankelijk en zorgzaam, we konden niet op een stoel gaan zitten of hij veegde snel de zitting schoon. Door zijn oma werd hij als kippenslachter, levende kruik en restjesopeter gebruikt.

David was niet thuis, werd ons meegedeeld, hij was aan het werk. Zijn ouders waren er wel, die woonden nu ook op het erf, aan de overkant, in een wankel tweekamerwoninkje. Ik kende ze, zijn moeder was zwaar aan de drank, zijn vader net een tikje minder. David zelf was drieëntwintig en al in dienst geweest, vertelde zijn oma trots.

Doordat de deur openstond, had ik vanaf de bedbank uitzicht op een deel van het erf. Het begon al te schemeren toen ik buiten een jonge man zag staan. Hij had een ingevallen gezicht met scherpe jukbeenderen. Onder het gewicht van een zak die wel drie keer zo groot was als een gewone jutezak, boog hij iets voorover. Terwijl man en last werden beschenen door het licht van de ondergaande zon, keken hij en ik elkaar aan. Hij lachte naar me. Het was een lach die pijn in zich droeg. Er leek een engel of apostel aan me verschenen te zijn die het lijden verbeeldde.

Hij zette de zak op de grond. We bleven elkaar in de ogen kijken. Terwijl hij door de kamer naar me toe kwam lopen, zei ik: „David?” Dit kon niemand anders dan ons zachtaardige vriendje zijn. Hij was een man met een last op zijn rug geworden.

Ik stond op en wilde hem een hand geven. Maar hij sloeg zijn armen om me heen en drukte me tegen zich aan, steviger dan ik zelf zou durven bij iemand die al in het leger is geweest, een man met baardstoppels en een grote neus. Het drong tot me door dat hij ons tien jaar gemist moest hebben. Terwijl wij in Nederland maar af en toe over hem nadachten, had hij voortdurend naar ons verlangd. „Ik heb gefaald”, was het eerste dat hij zei, nog voor hij vertelde dat hij per trein naar Boekarest was geweest. Om twee uur ’s nachts was hij vertrokken. Vanaf een uur of half zes had hij langs de ringweg rond de hoofdstad staan venten met handelswaar, blikken trechters die hij samen met zijn vader had gemaakt. Hij ging terug naar buiten om wat trechters uit de zak te halen, stak zijn armen in de lucht om ons zijn verkoopmethode te laten zien.

Blikslager. Leurder met trechters. Dat was David geworden. Een gekwetste ziel. Tijdens de dagen die volgden, trapte hij gefrustreerd tegen bomen en muren. Vanaf zijn veertiende had hij geld voor zijn ouders moeten verdienen. „Familiewetten, hè”, verklaarde hij. Desondanks had hij de elfde klas van het lyceum gehaald, de middelbare school, die in Roemenië na het achtste leerjaar begint. In Boekarest kwam hij soms vroegere klasgenoten tegen. Zij vertelden dan over hun faculteit, terwijl hij alleen maar kon zwijgen. De belangrijkste schuldige was volgens hem zijn moeder. Ik kon me daar wel iets bij voorstellen. Het magere, tandenloze wezen drentelde de godganse dag in vuile rokken over het erf, zo laveloos dat er geen woord met haar te wisselen viel. Ze sleepte haar kleinkind achter zich aan, het dochtertje van Davids zus, die in Italië verbleef om er te werken. David had ook een oudere broer, een zelfverzekerde knaap die een stuk groter was dan hij, en die zich veel minder door zijn ouders had laten koeioneren.

Toen we Caracal verlieten was David rustiger geworden. Graag wilde hij met ons in contact blijven, maar hij wist niet hoe, hij had geen mobiele telefoon. „Dan ga je maar naar het internetcafé en leer je e-mailen, da’s veel goedkoper.” Hij had ook besloten dat hij zijn school wilde afmaken. „Wij sturen je dan iedere maand honderd euro”, beloofden we. Honderd euro was net iets meer dan het Roemeense minimumloon, nauwelijks genoeg om te overleven. Meer konden we niet bieden, en al konden we het, we wilden het niet, het zou jaloezie oproepen, vooral bij zijn dominante broer.

Totdat we terug waren in Nederland praatten we over hem, er was ons iets verwarrends overkomen. Na een week kon hij mailen, hij schreef dat hij problemen met zijn ouders had. Logisch, hun melkkoe ontglipte ze. Maar hij wilde doorzetten, voor vijfentwintig euro per maand had hij zelfs al een kamer gevonden. Het bericht was ondertekend met: „Jullie kind David.”

Er kwamen meer mails. We schreven terug in ons zelfgebakken Roemeens, want Engels hoort in Roemenië niet standaard bij de lesstof. Toen David had begrepen dat hij een bankrekening moest openen, sloot hij af met: „Ik hou van jullie en respecteer jullie, jullie kind dat nog veel van jullie moet leren.” Bespeelde hij ons? Dat wij uit vrije keuze geen kinderen hebben, was in zijn milieu ondenkbaar. Deed hij zich daarom voor als onze zoon? Nee, daar was hij niet geraffineerd genoeg voor. Hij had simpelweg een onstilbare behoefte nakomeling te zijn van twee mensen die hem redelijk normaal leken. Bovendien had hij geen vriendin: hij was een man op zoek naar koestering.

Toen we zijn eerste beurs hadden overgemaakt, voor twee maanden tegelijk, somde hij op wat hij ermee had gedaan: zijn huur betaald – de kamer bleek in de Karpatenwijk te zijn – en vijf platen blik gekocht om een eigen trechterhandel te beginnen. Mooi zo, net als wijzelf werd hij kleine ondernemer. Nu was het bedrag op, schreef hij verder, want hij had ook een televisie gekocht. Een televisie? Was een televisie een eerste levensbehoefte voor hem? Ja, concludeerden we, hoe moest hij anders de wereld leren kennen? Het toestel was het eerste voorwerp dat hij bezat. Toen hij nog bij zijn ouders woonde, in het huisje op het erf bij zijn oma en oom, had hij nog geen kastplank voor zichzelf.

David schreef zich in voor school. Hij werd in de elfde klas van het Industriële Lyceum geplaatst. In drie jaar zou hij zijn diploma kunnen halen. De gehuurde kamer beviel niet, de huisbaas zoop, maar hij had geluk, een neef die als tegelzetter in Griekenland werkte kocht een vrijstaand huis buiten de Karpatenwijk, hij mocht er wonen als oppas. Optimistisch formuleerde hij doelen voor de komende jaren. Behalve het behalen van het schooldiploma wilde hij 1) Engels leren, 2) zijn rijbewijs halen. Omgerekend kostte rijles ongeveer driehonderd euro.

Bijna een jaar ging alles goed. Wel was de beurs telkens binnen drie dagen uitgegeven. Trouwhartig schreef hij waaraan dan wel: aan kleren, aan kachelhout, aan stroom. Eten kocht hij op krediet, weekend na weekend moest hij trechters slijten om zijn schuld bij de kruidenier af te lossen. Intussen werd zijn zus in Italië neergestoken door haar eigen man, ook een Roemeense Rom, waarna ze hem aangaf bij de politie. Haar moeder, het dronken lor, kreeg goedzak David zover om honderdzestig euro te lenen bij een buurman uit de Straat van de Ontknechting, zodat zij naar Italië kon om haar dochter te „redden”.

David bleef naar het lyceum gaan. Hij zat in de avondklas, samen met andere oudere leerlingen die tegen de verdrukking in hogerop probeerden te komen. Zijn proefwerken haalde hij met zesjes. Toch vonden we het een prestatie, zo cool is het niet voor een inmiddels vierentwintigjarige uit de Karpatenwijk om naar school te gaan. Op die leeftijd dien je daar statussymbolen te verwerven of kinderen op de wereld te zetten, een baby krijgen op je zestiende of zeventiende is er geen uitzondering.

In mei 2006 veranderden de mails van toon. Ze werden langer, gejaagder. Er stond ineens ‘David + Laura’ onder, want David had „mijn partner die bij mij hoort” gevonden. Ze was twintig en volgde de post-lyceale opleiding voor medisch assistent. „Kunnen jullie mijn beurs voor de zomermaanden alvast overmaken?”, verscheen op mijn computerscherm. David wilde de schuld aflossen die hij voor zijn moeders reis naar Italië had gemaakt. Na enige educatieve antwoorden („Hoe kon je nou zo stom zijn om je moeder geld te geven”, en: „Kijk uit dat je je vriendin niet zwanger maakt”) gaven wij toe: tenslotte had hij het geld voor een nobel doel geleend.

Er volgden nieuwe smeekschriften. De lening bleek nu vierhonderd euro te bedragen, daar kwam honderd euro rente overheen. Hoe de geldschieter heette wist hij niet, iedereen noemde hem ‘De dove’.

David ging over naar de twaalfde klas. Drie lange maanden werd het zomervakantie voor hem, zoals voor alle scholieren in zijn land. Hij schreef ons over Laura’s ouders, Roemenen die hem niet accepteerden omdat hij tot ‘een gehaat ras’ hoorde. Vanwege hem betaalden ze haar opleiding niet meer.

Op 2 september 2006 kwam er een paniekmail binnen. Laura lag in het ziekenhuis. Wat haar mankeerde wist David niet, maar ze had 10 pillen Lexodan genomen. Zoekend op het internet kwam ik op Italiaanse sites terecht waar het middel samen met Valium en Prozac werd genoemd. Het mocht niet geslikt worden bij zwangerschap. Wat moesten we daarvan denken?

Er bleven emotionele mails van David komen. „Ik voel me niet lekker, als ik door haar schuld ook ziek ben maak ik het uit.” De medische termen vlogen ons om de oren, we moesten het inderdaad in de gyneacologische hoek zoeken. De dokter dacht aan baarmoederontsteking of een cyste aan een eierstok. In een volgende mail bleek het om een buitenbaarmoederlijke zwangerschap te gaan.

Weer ging er een moralistisch mailtje naar Caracal, je wringt je in rare bochten als geadopteerde ouders. Wat hadden we nou gezegd, gebruik dan toch condooms! Toen David de woorden ‘hoer’ en ‘leugenaarster’ begon te gebruiken, wisten we ongeveer hoe we Laura moesten plaatsen, ze was namelijk ook nog blond. Een zigeunerjongen uit de Karpatenwijk was door onze schamele bijdragen aantrekkelijk geworden voor een geblondeerde Roemeense.

Vlak voor de school half september weer begon, liep het mis met de relatie tussen David en Laura. Ook werd hij door zijn neef uit het huis gezet. „Kom maar bij mij terug”, zei zijn oma liefdevol, en zo sliep hij weer in het bed waarin hij als kind geslapen had, zo at hij weer de resten van zijn oma’s eten. Op 1 oktober mailde hij dat hij een nieuw leven begon; hij had een appartement gehuurd.

Na een aantal weken waarin de berichten toch weer neurotisch werden, kwam de waarheid eruit: hij huurde het appartement samen met Laura en drie van haar vriendinnen. Maar er kwamen zoveel jongens langs, dat hij op een avond de politie had moeten roepen. Hij was al drie weken niet naar school geweest. Verder dreigde De dove hem tot moes te slaan wanneer hij niet onmiddellijk de schuld afbetaalde. Hij stond op het punt te vluchten.

Na lange discussies bij ons thuis stelden we een soort resolutie van de Verenigde Naties op. David kreeg een allerlaatste kans. De vierhonderd euro zouden we overmaken als voorschot op zijn beurs. Maar, zo schreven we puntsgewijs, hij moest het geld terugbetalen in zestien maandelijkse termijnen van vijfentwintig euro, die we zouden inhouden op zijn beurs. Verder eisten we het telefoonnummer van zijn klasseleraar. Waren de resultaten niet naar wens, dan verbraken we het contact. Ik kon het niet laten een zin over Laura in te voegen, „wij hebben de indruk dat zij geen goede invloed op jou heeft”.

Twee lange dagen kwam er geen antwoord. Toen gaf David ons gelijk. Met Laura was het definitief over. Iedereen had hem gewaarschuwd, ook de neef, om Laura was hij uit het huis gezet. Maar de neef was nu dood. Plotseling. In Griekenland. Binnenkort zou het lijk naar Caracal komen. Hij, David, had een week vrij van school genomen. Hij wilde het huis van de neef schoonmaken en de begrafenis voorbereiden.

Hier konden wij niet meer tegenop. Drie weken niet naar school vanwege een meisje. Nu weer een week niet naar school vanwege de dood van een neef. Als bij ons, burgers, een neef overlijdt dubben we of we een halve dag vrij zullen nemen. Roemeense Roma trekken er een week voor uit. Davids vader en broer dolen op het moment door Spanje op zoek naar werk, hij moet hun eer hooghouden. Hier passen geen resoluties van de Verenigde Naties meer. „Familiewetten, hè.”

Inmiddels hebben we de klasseleraar gebeld. Met leerlingen uit de avondklas heeft de school veel clementie, zei hij ontspannen. David was weer verschenen. Het lag helemaal aan hemzelf of hij het schooljaar zou halen.

Mariët Meester publiceerde Sla een spijker in mijn hart - Roemeense Roma na de revolutie. Uitgeverij Balans 2006, 19,50 euro (met foto’s van Jaap de Ruig).