De knuffel van Tachtig

Er zijn van die mensen van wie iedereen wel lijkt te houden. Jong en oud, man en vrouw, allochtoon of autochtoon, geleerde of loodgieter, iedereen heeft er wel een zwakke plek voor. Het zijn mensen zoals Prins Claus, zoals Wouter Bos toen hij net begon in de politiek, zoals de presentatrice Hadassah de Boer, zoals Lucebert na zijn wilde jaren, Hella S. Haasse al haar hele leven, of de rapper Ali B.

Zo iemand lijkt de schilder Willem Witsen ook wel. Tijdens zijn leven lijkt iedereen hem te mogen. In zijn jonge jaren, toen hij bij de Tachtigers hoorde, was hij degene die ruzies oploste en de wisselvallige kunstenaars van die tijd onderdak en hulp aanbood. Later bleef hij dat doen, maar vaak op grotere schaal, vanuit de verenigingen waar hij toen lid van was. Zijn vrienden droegen hem op handen, en iedereen lijkt wel een persoonlijke band met hem te hebben.

Maar het opvallende is, dat dit bij Witsen over zijn dood heen lijkt te gaan. Meer dan tachtig jaar na zijn dood heeft hij het voor elkaar gekregen dat een stichting bezig is al zijn correspondentie uit te geven. Enige jaren geleden kwam de initiatiefneemster bij me langs, gepassioneerd, bevlogen en vastbesloten het plan te laten lukken. Ze vroeg me mijn naam te lenen voor aanbevelingen, ze vroeg me advies en of ik wellicht goede studenten had die mee konden werken aan de editie. De stichting begon klein, maar heeft tientallen bibliotheken, musea, archieven en instituten aan zich weten te binden. Van meet af aan is gestreefd naar elektronische publicatie. Medewerkers bogen zich over een correspondentie van duizenden brieven, alleen maar opdat de brieven van en aan hem toegankelijk zullen zijn voor nog meer vrienden van Witsen. Over zijn dood heen weet de beminnelijke Witsen een groep mensen te verenigen en te motiveren.

Het feit dat Witsen zo aardig was, is natuurlijk niet de reden om een brievenproject rondom hem te starten. Waarom Witsen, en niet een van de vele andere figuren in de Nederlandse cultuur die veel brieven aan veel mensen geschreven hebben?

Ik ben ervan overtuigd dat er enige tientallen erflaters een dergelijk project waard zijn. Bijvoorbeeld Willem Kloos, Willem Bilderdijk, Betje Wolff, Isaac Israels, Constantijn Huygens, Herman Heijermans, Edgar du Perron, Multatuli, Theo Thijssen, Domela Nieuwenhuis, Thorbecke, Jacob van Lennep, Albert Verwey, Hendrik Werkman, Piet Mondriaan, Menno ter Braak, Lucebert, Simon Vestdijk en nog vele anderen. Sommige van deze namen hebben al een brieveneditie, zoals Multatuli en Thorbecke, maar nog geen die op het web te raadplegen valt.

Witsen is zoveel tegelijk, dat hij de primeur verdient. Hij was schilder, fotograaf, schrijver en kunstbeschouwer, amateur-musicus. Hij kende zoveel mensen, dat zijn correspondentie niet een verstilde literaire is, waarin het alleen maar gaat over het eigen individu en het navelstaren op de eigen gevoeligheden, maar het is een correspondentie die alle segmenten van de cultuur rond 1900 omvat. Van huis uit kende hij mensen als Johannes Brahms, hij was nauw verbonden met alle schilders van de Haagse School en het Amsterdams Impressionisme. Hij kende alle schrijvers van Jong Holland. Door zijn afkomst uit de hoogste Amsterdamse kringen kende hij bovendien nogal wat industriëlen en oude adel – ook een belangrijke factor in een zo arme kunstenaarskring als die van de Tachtigers.

Maar zijn netwerkfunctie is niet de enige belangrijke. Wat ook telt, is dat hij op het breukvlak van tijden leefde. Amsterdam was in de jaren dat hij jong was aan zijn tweede gouden eeuw begonnen. Er veranderde veel, met name in de buurten waar de jonge schrijvers en schilders rondliepen. Ze gingen in de uitleggingen van de stad wonen, in de Pijp met name, maar ook in oost – ze waren gefascineerd door de aanleg van het Centraal Station en de bouw van de kunstmatige eilanden, door het Rijksmuseum en de aanleg van Amsterdam Zuid. Maar Witsen had ook oog voor de oudste gedeelten van de stad, hij kende als geen ander de schoonheid van het alleroudste stuk, bij de Montelbaenstoren en die van de eilanden, de Zandhoek. Oud en nieuw waren tegelijk aanwezig in die breukvlaktijd, en dat strekte zich over veel gebieden van de cultuur uit. De arbeidersbeweging groeide, en tegelijk ontwikkelde zich het zuilensysteem. De positie van de vrouw veranderde, maar veel vrouwen hadden moeite met de keuze tussen afhankelijkheid en toegewijdheid enerzijds, en ontwikkeling anderzijds. Dat gold voor zijn vrouw, zijn zus die zelfmoord pleegde en zijn schoonzussen, allemaal ongelukkig in hun huwelijk en gefrustreerd in hun talenten. Homoseksualiteit werd bekender, er kwamen pleidooien voor meer gedogen, en meer kunstenaars kwamen er rond voor uit, al geldt dat niet voor Louis Couperus en Willem Kloos in zijn latere leven. Met de correspondentie valt de ingewikkelde psychische constellatie van die tijd te reconstrueren.

Witsen was dan ook niet alleen maar beminnelijk. Als je de brieven leest komt er een harde oordelaar naar voren, die een bloedhekel had aan pretentie en schone schijn. Alleen echtheid telde voor hem. Daarin staat hij ver van de gemaniëreerdheid van iemand als Louis Couperus, en ook van de poseur Frederik van Eeden. In een brief van 22 augustus uit 1892 aan Frans Erens schreef hij over Van Eeden: ‘O wat ’n nare kerel – wat ’n ploert, wat ’n leelijke burgerlijke valsche vent!’ Dat is een heel andere Witsen dan de man die we kennen als de geduldige beschermer van alcoholisten, border-liners, verslaafden, rokkenjagers en andere stukken onfatsoen die gezamenlijk de schilders en schrijvers van Tachtig vormden.

Maar toch is Witsen dat ook: de man die zich inzet voor Willem Kloos, altijd maar weer als deze in een depressie zit, die hem moreel en financieel steunt en hem zo nodig onderdak geeft of met zich meezeult langs psychiaters, of, tegen de zin van de psychiaters in, weghaalt uit een inrichting. Hij zamelde zelfs geld voor hem in om hem een reisje aan te kunnen bieden. Zijn toewijding aan de suïcidale Kloos lijkt af en toe wel iets plaatsvervangends te hebben, alsof hij zich achteraf verweet niet bij zijn zus in de buurt te zijn geweest toen zij zich verdronk. Als verloofde moet hij ook bijzonder zijn geweest, met heel lieve brieven aan zijn meisje: ‘Mijn liefste Beb kom je asjeblieft morgen ochtend? Pim denkt zoo veel aan z’n heerlijke lieve meisje en verlangt zoo haar te zien en in z’n armen te nemen, even – en Pim verlangt zoo om te werken en mooie dingen te maken,– en Pim verlangt ook zoo om van den zomer buiten te zijn elken dag met z’n liefste kleine lieveling en te wandelen in de mooie natuur en zamen te zijn met Beb.’ Eenmaal echtgenoot veranderde hij en werd Beb aan de kant gezet.

Witsen is als schilder minder bekend geworden dan zijn vrienden Isaac Israels en George Breitner. Toch zou ik er wat voor geven om een van zijn Londense schilderijen te hebben, met die lichtgrijze vlakken waarin bruggen en kades vaag te onderscheiden zijn. Het is mist op zijn mooist. Hoe hij dat deed, hoe hij worstelde met de techniek, hoe hij later op een schip een varend atelier bouwde om de grachtenhuizen vanuit een laag perspectief te kunnen schilderen, het staat allemaal in de brieven. Binnenkort voor iedereen te lezen, op de site van Het Geheugen van Nederland.