De grijze plaag

De lente is schitterend. Hordes 55-plussers – 40 procent werkt niet – strijken vroeg neer in jachthavens, recreatieparken en op golfbanen. Deze zwitserlevengeneratie heeft zeeën van tijd en een tot de dood gegarandeerd inkomen. Ze zijn de droom van elke reis- en recreatieondernemer. Maar wie betaalt dat eigenlijk allemaal?

Het antwoord is ontluisterend: vooral jongeren, laagopgeleiden en mannen. Pensioenfondsspaarders zijn namelijk ‘solidair’. Iedereen betaalt een doorsneepremie, onafhankelijk van leeftijd en levensverwachting. Maar ondertussen geldt dat laagopgeleiden flink korter leven en een minder gunstige salarisontwikkeling hebben dan hogergeschoolden, dat mannen zes jaar eerder sterven dan vrouwen en dat jongeren relatief veel meer pensioenpremie betalen dan ouderen.

Want hoe jonger je bent, des te langer je pensioengeld renderen kan en des te meer elke ingelegde euro oplevert aan pensioenkapitaal. Een aanstaand onderzoek van het Centraal Planbureau becijfert dat het daardoor pas na je 47ste levensjaar relatief goedkoop wordt om aan een pensioenfonds deel te nemen.

Daarbij rijst de vraag hoeveel de nu jonge werknemers ooit uitgekeerd zullen krijgen. Vorig jaar bezaten pensioenfondsen net genoeg om hun verplichtingen te verhogen voor inflatie, maar te weinig om de uitkeringen te laten meegroeien met de loonontwikkeling.

Het zit er dik in dat onze jongeren pas vanaf bijvoorbeeld hun 70ste op de Friese plassen kunnen dobberen of in een tweede huis kunnen luieren. Wie weet moeten ze nog langer werken als de huidige generatie zorgeloos massaal stopt met roken en voor hun eeuwfeest gaat.

En toch zijn jongeren voor hun oudedagsvoorziening vaak beter af bij een pensioenfonds dan dat ze zelf beleggen. De Canadese onderzoeker Ambachtsheer becijferde dat deelnemers in een commercieel beleggingsfonds door kosten jaarlijks minimaal 1 procentpunt minder rendement halen dan deelnemers in een pensioenfonds.

Over je hele carrière scheelt dat 20 procent pensioen. Dat rendementsverschil kan volgens hem zelfs oplopen tot 6 procentpunt per jaar als je incalculeert dat doe-het-zelfbeleggers veel fouten en dwaze keuzes maken. Over de hele opbouwperiode scheelt dat maar liefst 70 procent pensioen. Daarbij vergeleken is een pensioenfonds zo gek nog niet, zelfs niet als je jong, man én laag opgeleid bent. Verreweg het beste af ben je bij een groot pensioenfonds, want voor fondsen geldt: hoe reusachtiger hoe goedkoper. Zo kost een oudedagspensioenfonds met minimaal één miljoen deelnemers jaarlijks zo’n 0,15 procent van het belegde vermogen aan beleggings- en administratiekosten, toont onderzoek van De Nederlandsche Bank. Bij 10.000 deelnemers zijn die kosten 2,5 keer zo hoog.

Maar hoe goedkoop een fonds ook werkt: ouderen betalen minder dan jongeren. Daarbij zijn pensioenregelingen in de welvarende jaren negentig jarenlang ver onder de kostprijs aangeboden. Babyboomers, toen vijftigers, profiteerden daar bovenop van de extra bijdrage van jongeren. Dáár moet werkend Nederland elke gepensioneerde geboortegolver aan herinneren die druk-druk-druk durft te zijn met culturele reizen, schildercursussen, golflessen, een studie kunstgeschiedenis of activiteiten voor de Lions Club.