De ‘Dat-mag-je-niet-zeggen-brigade’ en ‘Het Marokkanendrama’

Joost Zwagerman over de ‘lelieblanke linkse kritiek’ op het boek Het Marokkanendrama

Vorige week verscheen het boek Het Marokkanendrama van journaliste Fleur Jurgens. Op verzoek van Politie en Wetenschap, een onderzoeksdivisie van de Politieacademie, bracht Jurgens de achtergronden in kaart van de vaak miserabele situatie van een specifieke groep jonge Marokkanen die zich steeds sterker van de Nederlandse samenleving afkeert, en ook van de toenemende problemen die deze groep in hun wijk -en vaak ook daarbuiten veroorzaakt.

Je hoeft maar een klein deel van het boek te zien om direct te zien dat Jurgens nergens generaliseert. Toch stond de linksistische Keuringsdienst van Waren onmiddellijk op de achterste benen vanwege haar boek. Die titel alleen al, die was stigmatiserend. Het Marokkanendrama: was dat geen botte generalisatie? Wist Jurgens dan niet dat er relatief veel Marokkaanse jongeren naar het hoger onderwijs doorstromen? Ja, natuurlijk wist Jurgens dat. Sterker: die informatie is in haar eigen boek te vinden. Zij benadrukt dat bijna dertig procent van de Marokkaanse jongens en meiden met succes het hoger onderwijs doorloopt. Maar over die groep gaat haar boek ook niet.

Een groep van duizenden kansarme jongens van Marokkaanse achtergrond dreigt de aansluiting bij de toch niet bepaald stabiele Nederlandse samenleving te missen, en een keurtroep van kritische publicisten feliciteert zichzelf maar weer eens met de kennelijke ethische voortreffelijkheid door zélf een klein drama te creëren rond, god betere, de titel van het boek Het Marokkanendrama. Het beschamendste van die kritiek is wel de tot niets verplichtende strekking. Zo lang je de boodschapper van het slechte nieuws, de journaliste, maar kan aanvallen, hoef je het niet te hebben over de kwestie zélf.

Nee, dan Ahmed Marcouch, stadsdeelraadvoorzitter in Amsterdam-Slotervaart. Hij herkende vrijwel alles wat ter sprake komt in Het Marokkanendrama: in de Volkskrant schreef Marcouch: ‘Het ‘Marokannendrama’ een mythe? Niet voor de jongens in mijn Amsterdamse wijk Overtoomse Veld (...). En ook niet voor de geïntimideerde bewoners die ik als stadsdeelraadvoorzitter (...) op bezoek kreeg, soms huilend.’ Marcouch sloot zich aan bij de observaties van de professionals die in Het Marokkanendrama over hun ervaringen vertellen. ‘Die zien hetzelfde als ik: ordeloosheid, machteloosheid en agressie.’ Marcouch’ diagnose? Deze: ‘Wij zijn te vrijblijvend geweest, onze Nederlandse werkwijze vol goede bedoelingen is geschikt voor families in goeden doen.’

Voor ‘zíjn’ probleemgroepen bepleit Marcouch een andere methode, die neerkomt op zero tolerance, een rechtstreekse benadering van de ouders, en verder de oprichting van schoolinternaten of speciale kostscholen. Verder gaat het Marcouch aan het hart dat de scholen in zijn wijk zijn verpauperd. Het onderwijs moet afgestemd zijn op de capaciteiten van veel van ‘zijn’ jongens. Aan het Nieuwe Leren hebben die jongens volstrekt niets.

Dat zijn woord voor woord conclusies die ook zijn terug te vinden in Het Marokkanendrama. De doortastende aanpak die Marcouch bepleit, vergt natuurlijk een mentale én praktische omslag onder welzijnswerkers. Die omslag is misschien nog wel moeilijker te volbrengen dan het benaderen van de probleemgroepen in zijn wijk, zo laat Marcouch geregeld doorschemeren. Intussen maakt Marcouch’ manier van werken tot ver over de grens school. Amerikanen reizen af naar Slotervaart om te zien hoe die nieuwe stadsdeelraadvoorzitter het hem flikt.

Op een drukbezochte avond in De Rode Hoed in Amsterdam naar aanleiding van de verschijning van Het Marokkanendrama lichtte Marcouch zijn doortastende crisisbestrijding toe. En hee, dat was gek: zodra Marcouch het woord nam, verstomde de kritiek van de dat-mag-je-niet-zeggen-brigade. Maar zodra Jurgens iets zei, begon de aanwezige lelieblanke links-liberale elite pavloviaans te morren. Jurgens’ onderzoek was naïef, eenzijdig. Men miste het bredere perspectief. Jurgens’ antwoord was dat zo’n perspectief helemaal niet tot haar opdracht behoorde. Toegegeven, dat antwoord is weinig inspirerend, maar wél feitelijk. Na dat antwoord nam het gemor nog toe. Maar: iemand die onderzoek doet naar oorzaken en gevolgen van een overmaat aan uitlaatgassen in een volkswijk in Amsterdam kun je natuurlijk heel makkelijk afbranden met het verwijt dat de dunner wordende ozonlaag ter hoogte van de Zuidpool niet in het onderzoek is betrokken. Hoe het kwam dat Marchouch ondanks die kennelijke eenzijdigheid en naïviteit van de journaliste dan toch zoveel in Het Marokkanendrama herkende, bleef tijdens die avond in De Rode Hoed onbesproken. Alles bij elkaar vormde de bijeenkomst een pijnlijke illustratie bij de ‘spagaat van de PvdA’, zoals geconstateerd in het boek Verloren slag, samengesteld door René Cuperus en Frans Becker van de Wiardi Beckmann Stichting.

Het is vaker geconstateerd, maar kennelijk nog niet vaak genoeg: de tragiek van de dat-mag-je-niet-zeggen-brigade is dat het van zichzelf denkt dat het edele, linkse, vooruitstrevende waarden in stand houdt, terwijl de gezanten van deze brigade in werkelijkheid in de greep zijn van een behoudzucht die penetranter is dan het neoconservatisme waar men zich zo tegen afzet. Pim Fortuyn noemde deze brigade ‘de linkse kerk’, wat met terugwerkende kracht nog vriendelijk was uitgedrukt, zo is de laatste jaren wel duidelijk geworden. Oudlinkse kopstukken uit die kerk zouden dan voorganger zijn – maar hun feitelijke statuur mag inmiddels wel worden benoemd: het zijn de zelfvervettende reactionairen die aan de basis staan van de morele verkalking en ideologische verdooldheid onder links. Maar er is hoop: een nieuwe generatie linkse politici zoals Ahmed Marcouch, Ahmed Aboutaleb en Nebahat Albayrak zijn tot op heden verfrissend immuun gebleken voor die reactionaire krachten onder oudlinks. Zij weten wel weg met de strekking van een boek als Het Marokkanendrama. Deze PvdA’ers lijken te beseffen dat het contra-effectief is om de problemen te bagatelliseren die te groot en te dringend zijn om over te laten aan de populisten op rechts en de reactionairen op links.