De commandant vindt dat het beter kan in Uruzgan

De voortgang van de missie in Uruzgan staat op een aantal plekken stil, zegt Gerard Koot, die er ruim vier maanden als ‘commandant opbouw’ werkte.

Ze zeggen dat ze een ‘positief’ beeld hebben gekregen. De drie gloednieuwe ministers die, nog maar enkele weken na hun aantreden, op kennismakingsbezoek zijn in de zuidelijke Afghaanse provincie Uruzgan. „Vele constructieve gesprekken” voerden de bewindslieden van Buitenlandse Zaken (Verhagen, CDA), Defensie (Van Middelkoop, Christenunie) en Ontwikkelingssamenwerking (Koenders, PvdA) naar eigen zeggen. En ze benadrukten dat de acht maanden geleden begonnen Nederlandse missie „op de goede weg” is.

Hun optimisme verhult niet dat er óók grote problemen zijn. De ambitieuze wederopbouwplannen komen mondjesmaat van de grond en het bestuurlijk apparaat in Uruzgan staat nog steeds „onder spanning”, zoals de ministers na terugkomst in een verslag aan de Tweede Kamer hebben gemeld.

Het zijn geluiden die ook ter plekke te beluisteren zijn. Bij Gerard Koot bijvoorbeeld, die ruim vier maanden als ‘commandant opbouw’ van de missie-Uruzgan werkte. Koot, een man die met zijn lengte koppen groter is dan de gemiddelde Afghaan, is zichtbaar gefrustreerd. Hij vertelt zijn verhaal op Kamp Holland in Uruzgan. De dag erna vertrekt hij naar Nederland.

Zijn kritiek op de Afghaanse president, Hamid Karzai, en diens regering in de hoofdstad Kabul, is niet mis. Koot verwijt de lokale gezagsdragers dat ze Uruzgan links laten liggen: „Kom hier nou eens kijken hoe het is. En hou op met het verhaal over te weinig geld. De internationale gemeenschap investeert miljarden in dit land.” Alleen ziet Uruzgan daar maar weinig van terug, vindt Koot.

Volgens Koot, die commandant van een zogeheten Provinciaal Reconstructieteam (PRT) was, staat de voortgang van de missie „op een aantal plekken stil”. Koot: „We zijn nu negen maanden bezig en kunnen concluderen we qua tijd achterlopen op dat wat we ambitieus gesteld hebben.” Vooral de uitbreiding van de ‘inktvlek’, de directe invloedssfeer, loopt vertraging op, zegt Koot. „Onze uitbreiding loopt geografisch gezien achter op de planning.” Toch ziet hij „op bijna alle gebieden” een zekere vooruitgang in Uruzgan. „Had er meer uitgehaald kunnen worden? Ik denk van wel.” Koot zegt dat hij het liefst „gebruik had kunnen maken van een capabele politie.” Dat was nu niet het geval.

Daarmee kleurt Koot de praktijk in die al geschetst werd in een recente brief over Uruzgan aan de Kamer. Ook daarin werd gesproken over „gebrekkige bestuurlijke capaciteit”, die „een forse rem” zet op „de snelheid waarmee wederopbouw invulling kan krijgen”. De regering kaartte daarbij voorzichtig de positie van de gouverneur van Uruzgan, Maulavi Abdul Hakim Munib, aan. Munib heeft, aldus het kabinet, te maken met „een aantal vraagstukken die zijn functioneren bemoeilijken”. Koot weet wat daarmee wordt bedoeld. Los van een gebrek aan middelen, merken de Nederlanders steeds duidelijker dat Munibs gezag in de provincie lang niet altijd even groot is. Zo weigerde Munib naar een door overstromingen getroffen gebied af te reizen. „Uiteindelijk hebben wij hem gedwongen te gaan”, aldus Koot. Dat was volgens hem hard nodig omdat de gouverneur „zijn gezicht veel te weinig laat zien”.

Zo zijn er meerdere voorbeelden. Munib heeft volgens commandant Koot een reeks „incapabele” districtshoofden benoemd. En de gouverneur weigert regelmatig om vergaderingen met stamoudsten bij te wonen in afgelegen plekken in Uruzgan. „En dat terwijl wij alles voor hem regelen”, zegt Koot. Hij weet niet waarom Munib zo terughoudend is. „Is het angst voor aanslagen? Ik weet het niet.” Maar één ding weet hij wel: op deze manier werkt Munib meer tegen dan mee.

Bijkomend probleem is dat Munib volgens de scheidende Nederlandse commandant, te veel van zijn tijd doorbrengt bij de machthebbers in Kabul. Daar vraagt hij voortdurend steun voor Uruzgan en bood hij al drie keer zijn ontslag aan. Bovendien vroeg Munib aan president Karzai om meer competente bestuurders en politiemensen te sturen. „Logisch ook”, zegt Koot. „Iedereen met een beetje bestuurlijke capaciteit is hier weg. In Kabul valt meer geld te verdienen en je loopt in Uruzgan het risico dat je door de Talibaan wordt doodgeschoten. Het is een negatieve vicieuze cirkel.”

Maar Karzai deed niets. Koot: „Met de mond wordt beleden dat stabiliteit in het zuiden essentieel is voor heel Afghanistan. Als je de oorlog tegen de Talibaan wilt winnen, dan ligt daar dus een groot probleem. Als je als centrale overheid niet investeert in het zuiden, staat Munib met de handen op zijn rug. Munib, die echt geen domme man is, kan het niet zo.”

Zo lijkt de missie in Uruzgan direct te lijden onder de bestuurlijke impasse. Een ernstig gebrek aan politiemensen leidt er toe dat veel gebieden nog altijd in handen zijn van de Talibaan. En door het gebrek aan goede bestuurders lopen wederopbouwprojecten vertraging op. „We gaan nog steeds vooruit maar op sommige gebieden trager dan we zouden willen”, zegt Koot, die ook een oplossing oppert: „Overweeg een gevarentoeslag voor bestuurders. En neem Munib nou eens serieus.”

Overeenkomstig de ‘Gedragscode voor journalisten in Uruzgan’ is dit artikel vóór publicatie gelezen door Defensie.

Lees de recente kabinetsbrief over Uruzgan via www.mindef.nl