Bijl valt voor claims door erven van oorlogskunst

NRC Handelsblad van 17 maart bericht dat de restitutiecommissie voor claims naar oorlogskunst met haar werk ophoudt (`Actief opsporingsbeleid zal vervallen`). Zijn de zeven jaar dat de commissie werkzaam is geweest, genoeg geweest? Een recent symposium stelde niet gerust. Commissielid Verrijn Stuart kondigde aan dat de ministeries het werk voortzetten en dat de billijkheid, die het beleid van de restitutiecommissie beheerste, wel eens een andere inhoud zou kunnen gaan krijgen. Een regeringswoordvoerder trachtte - naar deze krant op 17 maart berichtte - belanghebbenden gerust te stellen.

Met de instelling van de commissie in 2000 leek de politiek een breed gebaar te maken. Vergeten wordt echter dat de commissie nog altijd een instrument van de minister is en geen zaken kan entameren zonder diens opdracht. Daarachter staan ambtenaren die nog steeds zonder enig argument menen dat de staat eigenaar is van al die kunstwerken en daarom de minister adviseren zaken niet bij de restitutiecommissie aan te brengen.

Het zou goed zijn net als in Engeland een commissie zonder enige binding aan overheid, politiek of museumwezen in te stellen. Deskundigheid op ander terrein kan worden ingehuurd. Zaak is het ook in ons BW te bepalen dat verjaringstermijnen in kunstroof niet gelden, dan wel slechts toegepast kunnen worden als de redelijkheid dit vergt. Zo neen, dan zou het Hof van de Rechten van de Mens in Straatsburg zich wel eens bestraffend kunnen uitspreken. Het zou niet de eerste keer zijn.