Bekeerde werelden

Kerstening betekent een breuk in het denken van de bekeerlingen, meent antropoloog Joel Robbins. Collega’s en historici zijn sceptisch. Leiders bekeren zich om hun macht te consolideren.

Dirk Vlasblom

Het moet zijn gebeurd in 1977, toen de hele gemeenschap in de greep raakte van de Heilige Geest. Tenminste, dat is het verhaal van de Urapmin. In werkelijkheid duurde het bijna twintig jaar voordat zij zich allemaal christenen noemden. De Urapmin, een volkje van nog geen 400 zielen in het bergland van Papoea Nieuw-Guinea, de oostelijke helft van dat grote eiland aan de evenaar, bekeerden zich in de jaren zeventig spontaan en massaal tot een hartstochtelijk beleden, charismatische variant van het christendom. Driekwart van de jonge volwassenen heeft zich intussen gewijd aan religieuze studies buiten de eigen streek. De nieuwe godsdienst wordt aan de bovenloop van de rivier de Sepik zeer serieus genomen.

De Amerikaanse antropoloog Joel Robbins deed in de jaren 1990-1992 veldwerk onder de Urapmin. In een recent artikel in het vakblad Current Anthropology (februari) trekt hij vergaande conclusies uit die ervaring. Hij noemt kerstening een ‘breuk in het denken’, de omhelzing van een ‘nieuwe logica’. Hij wijkt hiermee af van de antropologische traditie om vooral te kijken naar continuïteit, het voortleven van oude cultuurpatronen. Robbins bespeurt bij collega’s de neiging om kerstening in de niet-westerse wereld met een korrel zout te nemen. Missionering zou slechts dienstbaar zijn aan politieke en economische integratie, en diepgang missen. Robbins spreekt dit tegen, maar vakgenoten en historici vinden dat hij kerstening teveel behandelt als een uniek geval van cultuurverandering.

In het boek Becoming Sinners – Christianity and Moral Torment in a Papua New Guinea Society (2004) beschreef Robbins de kerstening van de Urapmin. Hun traditionele waardesysteem zou hen ontvankelijk hebben gemaakt voor deze religieuze verandering. De Urapmin trokken vanouds een scherpe grens tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ en stelden strenge straffen op overtreding van morele voorschriften en verboden. Ook alledaagse situaties vereisten in hun ogen moeilijke, morele keuzen. In het rituele systeem van hun bergstreek, dat zij deelden met gemeenschappen die dezelfde taal spraken, hadden de Urapmin vroeger een voorname positie. Buurvolken erkenden de grote kracht van hun riten en heilige plaatsen en hun diepe kennis van het sacrale.

buurvolkjes

Omdat zending en bestuur hen links lieten liggen, verzeilden de Urapmin in de jaren vijftig in de marge van de rituele en politieke orde. Zij woonden ver van de bestuurspost en hadden, anders dan buurvolkjes, geen landingsstrip. Dat ervoeren zij als een vernedering. Daarom stuurden zij in de jaren zestig jongeren naar zendingsschooltjes bij de buren en later naar het bestuurscentrum van de streek. Zij gingen de kennis zelf halen.

De nieuwe cultuur van bestuur en zending draaide om wet, orde en moraal, maar ambtenaren en zendelingen hadden geen oog voor het morele systeem van de Urapmin. Zij onderhielden hen juist over de noodzaak van zelfverbetering. De Urapmin moesten afstand doen van hun traditionele cultuur en leren gehoorzamen aan de koloniale wetten en de voorschriften van het christendom. Robbins: ‘Omdat ze al doordrongen waren van de moeilijkheid om een moreel leven te leiden, ervoeren Urapmin de retoriek van ambtenaren en zendelingen als een ernstige morele veroordeling van henzelf en van hun levenswijze. Die nieuwe vernedering dreef hen verder in de richting van bekering.’ Dat de Urapmin na hun kerstening al snel evangelisten uitstuurden naar nog geïsoleerder buurvolken, was een poging hun plaats in de rituele orde te herstellen.

Volgens Robbins hebben de Urapmin het christendom als geheel geadopteerd en niet stukjes ervan ingepast in hun religie. Toch gaat hun oude sociale en economische leven gewoon door. Als gevolg daarvan leven zij met twee culturen, die op gespannen voet staan. Hun leven wordt beheerst door wereldse verlangens en jaloezieën, die volgens hun versie van de christelijke moraal zondig zijn. Daarom wijden Urapmin veel tijd en energie aan gewetensonderzoek, biechten, rituelen om zonden uit te wissen en Spirit Disko, danssessies waarbij de deelnemers bezeten raken van de Heilige Geest. Ze blijven niettemin overtuigd van hun zondigheid en dat baart hun zorgen. Het kan hen namelijk opbreken bij de wederkomst van Christus, waarin ze vurig zeggen te geloven. En Joel Robbins neemt hen op hun woord. Hij noemt zijn boek zowel ‘een studie van cultuurverandering’ als ‘een etnografie van een christelijke cultuur’.

In zijn jongste artikel in Current Anthropology karakteriseert Robbins het christendom als een ‘logica van breuken’. Het christendom, zegt hij, impliceert de mogelijkheid – voor het ultieme heil zelfs de noodzaak – van radicale verandering. Hij geeft voorbeelden: de breuk met het jodendom, de bekering van Paulus (‘men evolueert niet tot bekeerling’), de doop als rituele breuk met het verleden en de eschatologie (de wederkomst van Christus). Het artikel roept vragen op. Wordt kerstening door ‘bekeerlingen’ altijd ervaren als een breuk? Is kerstening een ‘speciaal geval’ van religieuze verandering? Gaat Robbins’ karakteristiek van het christendom op voor alle varianten van die religie? Collega-antropologen, en ook historici die zich bezighouden met de kerstening van Europa, vinden van niet.

Antropoloog Jaap Timmer is verbonden aan het Van Vollenhoven Instituut in Leiden. Hij is onder de indruk van Robbins’ boek, maar niet van diens jongste artikel. Timmer deed onlangs veldwerk in Melanesië, het noorden van Malaita, één van de Solomon Eilanden. Daar onderzocht hij de Deep Sea Canoe Movement van profeet Michael Maeliau. Die beweging herinterpreteert de eigen traditie (kastom in ‘lokaal’ Engels) in het licht van het Oude Testament.

Maeliau zegt dat hij een visioen had – hij spreekt zelf van een ‘openbaring’. Op Malaita verhief zich een golf van zuiver water, die over de wereld rolde, tot aan Jeruzalem en weer terug. De Tafelen der Wet zouden zijn verborgen in de bergen van Malaita en de Malaitanen zouden nakomelingen zijn van de Verloren Stammen van Israël. Dit is een variatie op het thema van de Diepzee Kano, oude verhalen over de vestigingsgeschiedenis van Melanesië en de komst van het christendom naar de Solomons. Die verhalen worden nu zo uitgelegd dat prechristelijke heiligdommen op Malaita een rol hebben gespeeld in het Oudtestamentische verhaal. Timmer ziet hierin verzet tegen de postkoloniale overheid en de gevestigde kerken, maar ook een toe-eigening van de bijbelse traditie door Melanesiërs, een ontkenning van de aanspraak van ‘blanken’ dat zij het licht en de waarheid naar de Solomons hebben gebracht.

Timmer: “Deze Malaitanen gaan door omhelzing van het christendom niet meer op westerlingen lijken. De kerk, stellen ze vast, heeft ons geleerd dat we vroeger, toen we vasthielden aan onze kastom, in duisternis leefden, want we kenden God niet, we deden het ritueel niet, we waren zondaars. Dat klopt niet, zeggen volgelingen van Michael Maeliau, wij hebben een beter verhaal, wij waren eigenlijk joden. De verhalen van het Oude Testament speelden zich in werkelijkheid bij ons af. Zij geven een eigen exegese van de christelijke boodschap en ontkennen dat er sprake is van een breuk. Spanningen tussen het oude en het nieuwe worden opgelost door continuïteit te construeren.”

Robbins zegt dat veel antropologen nieuwe vormen van christendom afdoen als een dun laagje vernis. Timmer: “Daar heeft hij gelijk in. Menigeen beschrijft cultuurverandering zo: ‘inheemsen’ worden kapitalisten en bestuurders, gaan studeren en maken wereldreizen. Zo worden ze gemondialiseerd, maar ze worden nooit echte christenen. Omdat hij aandacht vraagt voor de ernst waarmee de Urapmin de nieuwe logica zeggen te omhelzen, legt Robbins te veel nadruk op het discontinue karakter van cultuurverandering.”

big men

Robbins suggereert dat de komst van het christendom voor de Urapmin iets heel anders was dan eerdere veranderingen in hun kosmologie. Timmer trekt dit in twijfel, mede op basis van Robbins’ eigen onderzoek. In de sociale structuur van de Urapmin, schrijft Robbins in ‘Becoming Sinners’, zijn afkomst en verwantschap van veel minder belang dan krachtige persoonlijkheden (‘self-made big men’). Zij krijgen aanhang, beïnvloeden de keuzen van mensen en spelen een hoofdrol bij culturele innovaties. Dat deden zij ook bij de ‘adoptie’ van het christendom. Het waren ‘big men’, hoofdrolspelers bij traditionele riten, die jongeren toestemming gaven een opleiding te volgen aan zendingsscholen en die hen kerken en scholen lieten bouwen toen ze terugkwamen. Zo ontstond geen tweespalt tussen vernieuwers en traditionalisten en kwamen de ‘big men’ zelf niet buitenspel te staan.

Een alternatief voor Robbins’ discontinue model van cultuurverandering – adoptie – komt van de Noorse antropoloog Fredrik Barth. Hij deed onderzoek bij buren van de Urapmin, de Baktaman, voordat zij in contact kwamen met het christendom. Hij schreef er een boek over, Cosmologies in the Making (1987). Jaap Timmer is erdoor geïnspireerd: “Barth ontdekte dat de cruciale feiten waar de kosmologie van de Baktaman om draait voortdurend veranderen. Hij vergeleek verhalen bij zijn eerste bezoek, in 1969, en met verhalen van twaalf jaar later. Sommige waren volkomen veranderd, bijvoorbeeld over de oorsprong van de groep, of over het ontstaan van zon en maan. Een breuk, zou je zeggen, terwijl er alleen een nieuw verhaal was bedacht door creatieve individuen.

“Het mechanisme werkt aldus. Rituele leiders vechten om de sleutel tot de waarheid en toegang tot vrouwen, kennis en macht. Zij moeten steeds met een nieuw verhaal komen om de bevolking warm te krijgen voor rituelen, zodat ze voldoende varkens krijgen en vrouwen mogen gebruiken. Men kan daarbij niet te ver gaan, want de achterban moet meegaan en mag niet te zware offers brengen. Charismatische personen die een goed verhaal hebben, krijgen veel volk mee en spelen zo een sleutelrol bij cultuurverandering. Omdat deze dynamiek een interne is, zou Robbins er continuïteit in ontwaren, terwijl er in nieuwe verhalen discontinuïteiten kunnen zitten. Als er van buiten een christelijke boodschap binnenkomt, brengt dat in zijn ogen per definitie breuken in het denken met zich mee.”

Religieuze verandering is geen modern verschijnsel. In de loop van de geschiedenis zijn hele werelddelen onder invloed van cultuurcontact van religie veranderd. Hoe gaat aanpassing van wereldbeelden in zijn werk? Abrupt of geleidelijk? Individueel of collectief? Om spirituele of pragmatische redenen? Een vergelijking van de kerstening van Nieuw-Guinea met die van Europa kan inzicht geven in de mentale en maatschappelijke processen van bekering. Het christendom ontstond in een oostelijke uithoek van het Romeinse rijk, kreeg geleidelijk aanhangers in de steden en werd in de vierde eeuw staatsgodsdienst. In de vroege middeleeuwen verspreidde het zich buiten de oude rijksgrenzen.

De historicus Leonard Rutgers is hoogleraar aan de Universiteit Utrecht met als leeropdracht ‘de studie van de late oudheid, met name de interactie tussen joden, christenen en heidenen’. Hij reageert sceptisch op Robbins’ artikel in Current Anthropology. “Ik kan het christendom met geen mogelijkheid zien als een discontinu project. In de eerste twee eeuwen na Christus presenteerden de Apologeten het christendom als iets radicaal nieuws. Dat ging helemaal mis. De Romeinen hielden niet van nieuwe religies. Vervolgens nam de jonge kerk het Oude Testament, in de vorm van de Septuagint, op in de canon van de christelijke bijbel. Men zei toen: die oude profetieën slaan niet op een joodse Messias, maar op de komst van onze Jezus. Dat het christendom in tweede instantie werd voorgesteld als een in wezen oude religie, die wortelde in het jodendom, een godsdienst die de Romeinen accepteerden, ook wettelijk, heeft wel degelijk gewerkt. Een en ander leidde in de vierde eeuw tot een moeizame verhouding met het jodendom. Volgens de kerk hadden de joden niets gedaan met al die aankondigingen in het Oude Testament, maar ze waren wel het eerste volk Gods.”

“De cultuur van de oudheid,” zegt Rutgers, “was een stadscultuur en de steden van het Romeinse Rijk waren multiculturele samenlevingen. Het christendom, een oosterse godsdienst, groeide in dat stedelijke milieu. Bekering was een socialisatieproces dat geruime tijd in beslag nam.” In de zevende eeuw begon de kerstening van de stammensamenlevingen ten noorden en oosten van de limes, de oude Romeinse rijksgrens. Die verliep volgens een heel ander scenario: prediking van monniken, eerst vanuit Rome, later vanuit het gekerstende Brittannië. Hun optreden had veel gemeen met de activiteit die christelijke kerken de afgelopen eeuw ontplooiden in Nieuw-Guinea.

augustinus

De Nijmeegse hoogleraar Peter Raedts is een kenner van de vroege middeleeuwen. Ook hij heeft grote aarzelingen bij Robbins’ stelling dat kerstening een breuk is met de oude kosmologie. “Hij schildert in zijn artikel het christendom in zijn protestantse, evangelische traditie, waarin de individuele religieuze ervaring (‘bevindelijkheid’) en het moment van bekering heel belangrijk zijn. Dat is theologie. Een enkel individu heeft zo’n ervaring. Als historisch model kun je de bekering van kerkvader Augustinus nemen. Die heeft zijn hele leven veranderd, al bleef er in zijn denken nog veel neoplatonisme over.”

“Bekeringen in de vroege Middeleeuwen,” zegt Raedts, “waren over het algemeen niet individueel, ze waren in hoge mate collectief. De missionaris ging met het stamhoofd praten of met de koning. Gregorius van Tours beschreef in de zesde eeuw de bekering van de Frankische vorst Chlodowîch (Clovis). Bisschop Remigius onderhandelde met Clovis en vervolgens bekeerden hij en al zijn edelen zich tot de katholieke kerk. In de Beda Venerabilis, een Britse kerkgeschiedenis uit 731, staan verschillende passages over bekeringen. Het is steeds eerst de koning en dan het hele volk. Dat had met innerlijke en persoonlijke overtuiging weinig te maken.”

Voor veel Germanen was dé reden om christen te worden hun sterke behoefte deel te nemen aan wat zij beschouwden als een hogere cultuur, de cultuur van Rome. Raedts: “De Deus Romanorum, de god van de Romeinen, was zó’n machtige god, daar konden die van hen niet tegenop. Voor de Germanen was de Romeinse wereld een christelijke wereld. Dat er ooit een niet-christelijk Rome was geweest, wist men niet meer. Men hoorde verhalen van mensen die er geweest waren. Rome was toen al in verval, maar er stonden nog steeds schitterende gebouwen, het Colosseum, kerken met prachtige rituelen. Meraviglie (wonderen), zou Marco Polo zeggen, maar die had het over het keizerlijke China. In die uitstraling van ‘Rome’ lag in de vroege Middeleeuwen een groot deel van de aantrekkingskracht van het christendom.”

Wat Robbins een collectief gevoel van vernedering noemt, de angst het af te leggen tegen een sterkere cultuur en zo aan de rand van de wereld te belanden, leefde ook in Germanië. Raedts: “De Germanen waren ervan overtuigd dat je de machtigste god moest volgen, en daarom waren bekeringen vaak zeer gewelddadig. Karel de Grote hakte het leger van de Saksen in de pan en toen wisten ze dat ze niet op konden tegen de god van de Franken (de Deus Romanorum was de Deus Francorum geworden). Het was dus zaak zich daar bij aan te sluiten. Dat is geen spiritueel motief, maar het heeft wel een grote rol gespeeld.”

Volgens Raedts waren er in de vroege middeleeuwen twee modellen van bekering: confrontatie en accommodatie. “In de Beda Venerabilis staat een brief van paus Gregorius de Grote uit 598 waarin hij instructies geeft aan de monniken die naar Engeland vertrokken. Hij pleit daarin voor geleidelijkheid. Zo schrijft hij: je moet de tempels van de heidenen niet verwoesten. Je moet de afgodenbeelden eruit halen, het kruis van Christus neerzetten en de plek behouden. Dat was voor deze mensen blijkbaar een heilige plaats, laten we daar bij aansluiten. Veel kerken in Europa zijn gebouwd op de resten van antieke tempels. De kathedraal van Chartres is gebouwd op een Keltisch heiligdom van een moedergodin; nu wordt daar de moeder Gods vereerd. Geografisch én conceptueel is dit continuïteit.”

Een bekeerde wereld is geen omgekeerde wereld.