Welvaart als recht

Vijf jaar duurt nu al de buitengewoon gunstige periode die de wereldeconomie doormaakt. En wie weet komt er nog een zesde jaar bij. Daarmee maakt de wereld een tijdperk door van welvaartsgroei zoals die zich voor het laatst meer dan dertig jaar geleden voordeed. De verdeling van de groei over de wereld raakt bovendien meer in balans. Niet langer fungeren de Verenigde Staten als de eenzame voortrekker, en vertrouwt de rest van de wereld op de bovenmatige uitgaven van de Amerikaanse consument. Europa en Japan dragen nu ook bij aan de groei. De opkomende landen vergaat het goed. Zij kunnen hun ontwikkeling doormaken in een uitzonderlijk gunstig internationaal economisch klimaat.

Alles went, en dat geldt ook voor voorspoed. Juist achter het ogenschijnlijk gewone van de situatie schuilt het gevaar van berusting en achteloosheid. Beleggers maken na verloop van tijd, als er weinig misgaat op de financiële markten, te weinig onderscheid tussen de verschillende risico’s op de financiële markten. Financiers beschouwen de gezonde balansen en winstgevendheid van bedrijven als een gegeven, en drijven de schulden van ondernemingen steeds verder op om een nog hoger rendement te maken.

Steeds meer politici zien welvaartsgroei als een natuurrecht, een gift waar weinig extra’s voor hoeft te worden gedaan. Dat laatste is te zien aan de veranderende houding ten opzichte van globalisering en vrijhandel. De voordelen worden voor kennisgeving aangenomen, de nadelen breed uitgemeten. In de Verenigde Staten koestert het nu overwegend Democratische Congres een steeds onvriendelijker houding ten opzichte van handelsvrijheid. In Frankrijk lijkt het alsof de aanstaande presidentsverkiezingen alleen nog te winnen zijn door kandidaten die zich rabiaat uitspreken tegen globalisering, de vrije wereldhandel – en soms ook de Europese Unie zelf. China en India rijden mee op de internationale treeplank, maar doen zelf weinig concessies.

Zo kan het gebeuren dat in de internationale arena nog maar weinigen warm lopen voor het succesvol afsluiten van de Doha-ronde, die de vrijhandel naar een hoger plan moet brengen. Die veranderende attitude ten aanzien van de open wereldeconomie getuigt van roekeloosheid. Onderhandelingen over een vrijer internationaal handelsverkeer verlopen doorgaans stroef als het economisch slecht gaat in de wereld. Blijkbaar geldt dat ook voor periodes waarin welvaartsgroei zo normaal wordt, dat iedereen een van de belangrijkste factoren vergeet waar de voorspoed aan te danken is: een steeds verfijndere internationale arbeidsdeling.