‘We wilden allemaal zoals Rambo zijn’

Deze week presenteerde Marco Borsato zich als ambassadeur van het Jaar van de Kindsoldaat. Maar dé kindsoldaat bestaat niet. En bij het schrikbeeld van kindsoldaten als gehersenspoelde moordmachines kun je vraagtekens zetten.

Ismael Beah: A Long Way Gone. Memoirs of a Boy Soldier. Farrar, Straus, Giroux, 229 blz. €22,– De vertaling, Ver van huis, verschijnt in augustus bij Sijthoff

Michael Wessells: Child Soldiers. From Violence to Protection. Harvard University Press, 284 blz. €42,–

Els De Temmerman: En toen moest ik mijn broer doodbijten. Houtekiet. 311 blz. € 19,95

De eerste keer kijk je ervan op: de memoires van een kindsoldaat als extraatje bij de koffie. Maar door heel Amerika blijkt het boek bij Starbucks op de toonbank te staan, naast andere potentiële impulsaankopen als koffiemokken, cd’s met wereldmuziek en chocolaatjes.

Je kan A Long Way Gone; Memoirs of a Boy Soldier, van de jonge veteraan Ismael Beah uit Sierra Leone, nauwelijks over het hoofd zien. Op het omslag staat een aangrijpende foto van een Afrikaanse jongen op kapotte slippers, die met een geweer over zijn schouders en een bazooka op zijn nek met neergeslagen blik door de bush sjokt. Draai het boek om en op de achterflap zie je het portret van een andere Afrikaanse jongen, de auteur. Hij lacht innemend. Het boek, zegt de aanbeveling op een affiche voor het raam van de Starbucks, is ‘een boodschap van hoop en verlossing’.

Het is een mooie gedachte: de succesvolle keten koffiebars die ons, de espresso- en cappucinodrinkers van de wereld, aan het lezen zet over één van de grote drama’s van deze tijd. Je kunt het zien als een oproep tot engagement, nota bene afkomstig van een van de symbolen van het moderne kapitalisme. Starbucks zal er vast ook aan verdienen – alleen in de eerste drie weken hebben ze al 62.000 exemplaren verkocht. En het zal het imago van de keten geen kwaad doen. Maar het concern neemt ook een risico: wie enig voorstellingsvermogen bezit, of wie het boek al heeft gelezen, kan door de gedachte aan leven en dood van kindsoldaten makkelijk zijn trek in koffie en brownies verliezen.

In conflicten over de hele wereld worden kinderen ingezet als soldaten – door regeringen, rebellen en andere gewapende groepen. Harde cijfers zijn er niet, maar geschat wordt dat de afgelopen decennia steeds zo’n 300.000 kinderen militair actief zijn, verspreid over 27 landen. In de bloedige burgeroorlog die in 1991 uitbrak in Sierra Leone bijvoorbeeld zijn zo’n tienduizend kinderen ingezet.

Ishmael Beah, geboren in 1980, was een van hen. Hij was twaalf jaar toen zijn dorp werd aangevallen door opstandelingen. Hij zag de wreedheden die ze begingen, raakte gescheiden van zijn familie en probeerde met een groepje andere jongens op een lange en zware voettocht door het oerwoud aan het geweld te ontkomen. Het lukte ze maar ternauwernood om te overleven.

Als de bange, hongerige en dodelijk vermoeide kinderen af en toe een dorp bereikten, hoefden ze meestal niet op hulp te rekenen. Daarvoor boezemden ze te veel angst in. Want iedereen in het West-Afrikaanse land kende inmiddels de verhalen over jongens die door rebellen gedwongen waren hun eigen families te vermoorden en hun dorpen in brand te steken, en die daarna als speciale eenheden plunderend door het land trokken, overal dood en verderf zaaiend.

Een groepje rebellen op Adidas-schoenen en met bajonetten op de geweren kreeg Beah en zijn maten te pakken. Maar de jongens wisten te ontkomen. Uiteindelijk viel Beah, nadat hij op zijn tocht veel van zijn makkers had zien omkomen, in handen van een groepje ongeregelde regeringsmilitairen. De commandant las Shakespeare’s Julius Caesar. En Beah, die het stuk op school had gelezen en delen uit zijn hoofd kende, wist er tot tevredenheid van de militair uit te citeren: ‘Cowards die many times before their deaths…’

Maar niet alleen lafaards sterven duizend doden voor ze sterven. Beah en een paar leeftijdgenoten kregen een AK-47 in hun handen gedrukt en wat basale training, waarbij hen steeds werd ingepeperd: probeer je de vijand voor te stellen, de rebellen die je ouders hebben vermoord en die de schuld zijn van alles wat er met je is gebeurd. Daarna kregen ze een wit pilletje en trokken ze voor de eerste keer met de volwassenen mee ten strijde. Nog nooit was ik zo bang geweest, schrijft Beah, die inmiddels dertien jaar was.

Al snel vlogen kogels en bloed hem om de oren. Een maatje werd door de granaat van een rebel overhoop geschoten en stierf op een boomstronk – en even later nog een. Schiet! riep een korporaal naar Beah. ‘Ik tilde mijn geweer op en haalde de trekker over, en ik doodde een man.’ Er volgden er nog velen, alleen al die ene dag. ‘Steeds als ik stopte met schieten om mijn magazijn te verwisselen, zag ik mijn twee levenloze vrienden. Boos richtte ik mijn geweer op het moeras en schoot ik nog meer mensen dood. Ik schoot op alles wat bewoog.’

Moorden, schrijft Beah, werd net zo makkelijk als water drinken. Er waren volop drugs voorhanden, die door elkaar werden gebruikt: peppilletjes, maar ook marihuana en brown brown, een mengsel van cocaïne en kruit. En om de bloeddorstige stemming niet te laten verslappen keken ze ’s avonds naar video’s van oorlogsfilms als Rambo: First Blood, Rambo II en Commando. ‘We wilden allemaal zijn zoals Rambo,’ schrijft Beah – en de bloederige staaltjes die hij beschrijft doen inderdaad nauwelijks onder voor die van de Amerikaanse vechtmachine.

Beah beschrijft de periode dat hij als soldaat meevocht in de burgeroorlog met een opmerkelijke nuchterheid en op een bijna vlakke toon. Hij besteedt er amper een kwart van zijn boek aan. Maar het is ruim voldoende om de lezer te doordringen van het hemeltergende onrecht en de ongeremde gruwelijkheid van deze wijdverbreide vorm van oorlogsvoering en kindermisbruik.

Als de burgeroorlog lijkt af te lopen draagt Beahs commandant zijn jeugdige strijders over aan medewerkers van UNICEF, die de kindsoldaten naar een centrum brengen voor opvang, ontwapening en maatschappelijk reïntegratie. Voor Beah – opgefokt, gewelddadig en diep getekend – begint dan opnieuw een moeilijke tijd van aanpassing. Maar hij is zo succesvol in zijn transformatie dat hij uiteindelijk zelfs wordt afgevaardigd om zijn verhaal te doen op een conferentie over kinderen in oorlogsgebieden bij de Verenigde Naties in New York .

Als hij terug is in Sierra Leone breekt de oorlog weer uit. Maar dan heeft Beah vrienden in de VS, waar hij in 1998 naartoe vlucht. Anno 2007 woont hij in New York, in Amerika heeft hij zijn school afgemaakt en college doorlopen en is hij, behalve activist tegen de inzet van kindsoldaten, nu ook een bestsellerauteur.

Maar het boek daarom ‘een boodschap van hoop en verlossing’ te noemen gaat wat ver. Beah is gered, en niet alleen fysiek. Hij waagt zich nauwelijks aan psychologische zelfanalyse, maar voor zover je uit zijn boek kunt opmaken is hij ook geestelijk opmerkelijk goed hersteld na alles wat hij heeft meegemaakt en aangericht. Dat is fantastisch en het is hem enorm gegund, maar een happy end kun je het nauwelijks noemen. Daarvoor is het algemene probleem van de kindsoldaten in de wereld, waar hij met zijn persoonlijke verhaal weer de aandacht op vestigt, te ontzagwekkend, te deprimerend.

Dat blijkt wel uit het voortreffelijke overzicht dat een Amerikaanse expert op dit gebied, Michael Wessells, geeft in zijn boek Child Soldiers; From Violence to Protection. Wessells heeft tussen 1995 en 2005 in verschillende landen gesproken met honderden voormalige kindsoldaten, jongens en meisjes, van 7 tot 18 jaar. Zijn belangrijkste conclusie: het schrikbeeld van kindsoldaten als gehersenspoelde moordmachines, slachtoffers van gewetenloze volwassenen, kinderen die definitief verpest en onhandelbaar zijn geworden, deugt niet.

Er is niet één type kindsoldaat, stelt Wessells. De verschillen tussen kindsoldaten in bijvoorbeeld Afghanistan en Oeganda, Sri Lanka en Colombia zijn enorm. En ook binnen ieder land kunnen kinderen op heel verschillende manieren bij oorlog betrokken raken. Sommigen zijn ontvoerd, anderen sluiten zich uit eigen beweging bij gewapende groepen aan omdat het hun enige kans op veiligheid en overleven is. En voor weer anderen is het aanvankelijk vooral een avontuurlijke ontsnapping uit een beklemmend dorps- of gezinsleven. Verder loopt ook wat de kinderen meemaken, en hoe ze daarop reageren, heel sterk uiteen.

Al die verschillen onderkennen is noodzakelijk, stelt Wessells, om te kunnen zorgen voor goede opvang, psychisch herstel en resocialisatie, en om werk te kunnen maken van preventie en vervolging van de mensen die kinderen voor zich laten vechten. Wessells’ boek is namelijk niet alleen een fascinerende beschrijving van het complexe fenomeen kindsoldaten, met veel citaten van geïnterviewde kinderen. Het is ook een praktische gids met suggesties hoe greep te krijgen op dit probleem en effectief hulp en perspectief te kunnen bieden aan de kinderen en de samenlevingen waarin ze moeten terugkeren.

Methodisch beantwoordt Wessells vragen als: hoe worden gewone kinderen moordenaars? (uit overlevingsdrang, door gehoorzaamheid, gewenning aan geweld, wraakgevoelens en uit ideologische overtuiging); waarom zijn er tegenwoordig zoveel kindsoldaten? (omdat veel oorlogen nu zo sterk op de burgerbevolking gericht zijn, omdat lichte wapens zo makkelijk verkrijgbaar zijn, omdat kinderen in intern verdeelde samenlevingen worden opgevoed met een heel sterk vijandbeeld); en wat zijn de motieven van de groepen die kinderen ronselen? (het is handig, goedkoop, het kan vaak straffeloos, ze zijn gehoorzaam, plooibaar en makkelijk te vervangen, en de roekeloze kleine Rambo’s kunnen bij de vijand een ongekend schrikeffect teweegbrengen).

Opvallend is volgens Wessells de veerkracht waar veel kinderen blijk van geven. Hulporganisaties die daar geen oog voor hebben en oud-kindsoldaten een slachtofferrol opdringen, zouden een grote fout maken. Hij pleit er juist voor om de kinderen zelf een belangrijke inbreng te geven bij het organiseren van opvang, naar ze te luisteren en ze verantwoordelijkheid te geven. En om vooral rekening te houden met hun lokale situatie en culturele achtergrond. Want wie bijvoorbeeld is opgegroeid met het geloof in de geesten van voorouders, kan heel goed meer baat hebben bij een ritueel van de medicijnman dat de dolende geesten tot rust brengt, dan bij een westerse traumabehandeling die draait om het bespreekbaar maken van gruwelijke ervaringen.

Wessells gaat – anders dan Beah – uitgebreid in op wat hij ‘de onzichtbare oorlogswonden’ noemt: schaamte, schuldgevoel, de angst voor vergelding, stigmatisering en maatschappelijk isolement. Want de psychische schade moet enorm zijn. De koele onderzoeksresultaten die Wessells aanhaalt zijn soms nog misselijkmakender dan de orgieën van geweld die Beah beschrijft. Uit een onderzoek eind jaren negentig: van een groep Angolese jongens, gerekruteerd toen ze dertien tot veertien jaar waren en gemiddeld 3,8 jaar bij een gewapende groep gebleven, had 77,5 procent iemand neergeschoten, 67 procent had een vriend of familielid in de oorlog verloren en 76 procent had mensen vermoord zien worden.

Als iets hoop geeft voor de jongeren die dit hebben meegemaakt is het niet zozeer het knappe en eerlijke boek van Beah, maar dan zijn het de hoofdstukken van Wessells waarin hij beschrijft hoe succesvolle projecten voormalige kindsoldaten weer vertrouwen geven: in andere mensen, in hun samenleving, en in zichzelf. Vaak begint het met spelletjes, met zingen, rappen en tekenen. En uiteindelijk is het vinden van werk, herstel van familiebanden en maatschappelijke acceptatie cruciaal.

Wessells verwijst naar het vele werk dat lokale en internationale hulporganisaties op dit terrein doen, en ook naar internationale campagnes als de Coalition to Stop the Use of Child Soldiers (www.child-soldiers.org). En hij had ook kunnen verwijzen naar het boek van Beah, dat er ongetwijfeld beter in slaagt om een groot publiek te bereiken dan zijn eigen boek.

Hoe het toegaat in een opvangcentrum voor voormalige kindsoldaten in Noord-Oeganda beschrijft Els De Temmerman. Deze Belgische journalist (in de jaren negentig Afrika-correspondent van onder meer de Volkskrant) werd hulpverlener en zette met hulp van de Belgische regering een opvangcentrum op. In de vorm van dagboekaantekeningen van de periode 2005-2006 beschrijft ze in En toen moest ik mijn broer doodbijten met intense betrokkenheid en mededogen hoe moeilijk het is de kinderen veiligheid te bieden en een kans om weer in de samenleving opgenomen te worden. Scholen zijn bang voormalige moordenaars of verkrachters in hun klassen op te nemen, de strijd tussen regeringsleger en rebellen woedt voort en internationale hulpverlening komt meestal te laat. Toch bestaat het boek niet alleen uit gruwelverhalen, zoals de titel suggereert, maar ook lichtpuntjes. ‘Van tweeduizenddrieënvijftig wrakken hebben we weer kinderen gemaakt’, schrijft De Temmerman aan het slot.

We kunnen, stelt Wessells, een eind maken aan deze uitbuiting van kinderen en we kunnen ze een normaal leven teruggeven. Hij ziet tekenen van groeiende betrokkenheid in de wereld. Of zijn vertrouwen gerechtvaardigd is blijft de vraag. Maar hij overtuigt de lezer in elk geval dat de wereld niets mag nalaten om het te proberen.

Els De Temmerman schreef in 2000 ‘De meisjes van Aboke’, het waar gebeurde verhaal van 139 Oegandese schoolmeisjes die worden ontvoerd door het beruchte Verzetsleger van de Heer.

TV-interview met Ishmael Beah via www.nrc.nl/wereld