Wachten op weer een tragedie

Een groep Roma in het Hongaarse dorp Olaszliszka sloeg een half jaar geleden een onschuldige man dood.

„Zie je wel! Het wordt nooit wat met die zigeuners.” Zwart tegen wit in Olaszliszka.

‘Het Jodenhuis’, zo noemen de Roma de bouwval langs de hoofdweg. Van het herenhuis, waar ooit een joodse wijnboer woonde, staan nog wat verweerde buitenmuren overeind. Uit het dorp Olaszliszka, in het noordoosten van Hongarije, werden in 1944 honderden joden weggevoerd. Verderop herinnert een berg stenen aan de plek waar de synagoge stond. Niemand nam de moeite het puin te ruimen.

„De afgelopen tien jaar heb ik nog in het Jodenhuis gewoond”, zegt Magdolna, een veertigjarige vrouw die luidruchtig over straat gaat. Ze wil liever niet op de foto. „Kijk naar mijn gezicht. Helemaal zwart! Nee, dat wordt niks.” Met haar vijf kinderen bivakkeerde ze in de druivenperskamer van het herenhuis. Afgelopen winter moest ze er weg. „Het laatste stuk dak dat nog intact was kwam naar beneden.”

De voormalige jodenbuurt wordt nu bevolkt door Roma. Rij je de hoofdweg omhoog, „dan wordt Olaszliszka wit”, zegt Magdolna.

De term ‘Roma’ wordt in Olaszliszka niet gebruikt. Het is er zwart versus wit, ofwel: de parasztok, de Hongaarse boeren, versus de csigányok, de zigeuners. Van de 1.800 inwoners is eenderde Rom.

Een half jaar geleden zorgde het dorp voor voorpaginanieuws na de gewelddadige dood van een aardrijkskundeleraar. De man reed een plots overstekend Roma-meisje aan. Het kind kwam er met lichte verwondingen vanaf, maar een groep Roma-mannen stormde woedend de straat op en sleurde de leraar uit zijn auto. De kinderen van de leraar keken vanaf de achterbank hulpeloos toe hoe hun vader op straat werd doodgeslagen.

De woede en verontwaardiging waren groot. Uit Boedapest vertrok een stoet bikers naar Olaszliszka „om de zigeuners een lesje te leren”. De politie moest de toegangswegen tijdelijk afsluiten. In een Hongaarse krant deed een politiek commentator een oproep voortaan „plankgas te geven zodra een Rom een willekeurige weg oversteekt”.

„Hier in Olaszliszka groeit een tweede generatie csigányok op zonder enig uitzicht op een baan,” zegt Mihály Doncs, voorzitter van het Roma-zelfbestuur in de provincie. Naast hem, aan de keukentafel, zit zijn broer Laci, voorzitter Roma-zelfbestuur in het dorp. Zoals iedere minderheid in Hongarije hebben de Roma recht op zelfbestuur dat door de overheid wordt gesubsidieerd. In Olaszliszka kent iedereen ‘de Doncs-broers’. Als ze samen zijn doet Mihály het woord.

In Olaszliszka is onder de Hongaren de werkloosheid 15 procent en onder de Roma 100 procent. Mihály: „Veel Roma groeien op in het getto en komen er nooit meer uit. Als de regering niet snel met een beleid komt is het een kwestie van wachten op de volgende tragedie.” De moord op de leraar is volgens hem „een gevaarlijke voorbode”.

Verderop, voor het gemeentehuis, wijst burgemeester Gyula Fekete op zijn dak dat lekt. „Nog geen geld voor de reparatie gevonden.” Van de Doncs-broers heeft de burgemeester geen hoge pet op. „De een rijdt een BMW, de ander een Mercedes. Hoe kan dat?” Trots geeft hij een rondleiding door de lagere school die recent met EU-geld werd gerenoveerd. De school is gemengd; 60 procent van de leerlingen is Rom. In ieder klaslokaal staan twee nieuwe computers. „Om ze alvast te laten wennen”, zegt Fekete. „Want aan de overkant, op de middelbare school, werken ze al met powerpoint-presentaties op een video wall van twee bij drie meter.”

De televisieploegen kwamen na de tragedie naar Olaszliszka om de krotten van de Roma te filmen, klaagt Fekete. „Dat we hier de kinderen in harmonie proberen op te voeden vindt men niet interessant.”

Vóór de omwentelingen in 1989 zorgden de lokale industrie en socialistische boerencoöperaties voor voldoende werkgelegenheid. Fekete: „Een opleiding deed er niet veel toe. Maar de industrie raakte verouderd en verdween. Het gebrek aan scholing wreekt zich nu, vooral onder de Roma waar de prikkel voor omscholing niet groot is.”

Op korte termijn ziet Fekete geen nieuwe bedrijven naar Olaszliszka komen. „We leiden de kinderen op zodat ze met voldoende bagage het dorp kunnen verlaten. Dat is pijnlijk. Maar het is het minste wat we voor ze kunnen doen.”

In de namiddag staan de Doncs-broers geleund tegen het hek voor hun huis. „Én? Lukte het de burgemeester ditmaal zijn racisme een beetje te maskeren?” lacht Laci. Zijn ‘luxe’ BMW, waarover de burgemeester klaagt, blijkt een derdehandsje zonder schokbrekers. Langzaam tuft Laci over de hoofdweg, langs de plek waar de leraar werd doodgeslagen. In de berm staat een klein monument, opgericht door vrienden en familie van het slachtoffer. Zeven verdachten zijn inmiddels voor de rechter verschenen.

Magdolna was in de buurt toen het gebeurde. „Ik herinner me vooral het gekrijs van de kinderen van de leraar.” Sinds de dood van haar man leeft Magdolna met haar vijf kinderen van een uitkering, zo’n 300 euro per maand. „De meesten van ons raken hun geld kwijt aan de woekeraars.” De grootste woekeraar is volgens haar de moeder van de Doncs-broers. „Dáár zit het geld, zij zijn het Roma-zelfbestuur.”

Lees alles over de ongeveer 6.000 Roma die nog in Nederland wonen. Het dossier met nieuws, achtergrond, literatuur en websites is te vinden op: www.monitorracisme.nl/content.asp?PID=14& LID=1