Vanaf morgen niet meer: een show bij de kapper

Natuurlijk weet ik dat het allemaal show is. Opgeklopte waan van de dag. You wannabe a popstar. Sterren op het ijs. De X Factor. Iedereen een ster.

De vorige keer toen ik naar deze kapper ging zag ik de flitsende jongens en meiden al met hun gepimpte leren ceintuurs door de zaak fladderden, terwijl ze zichzelf in alle poses bekeken in de spiegels die overal hingen, stonden en draaiden. Ze bekeken zichzelf en elkaar. Ik dacht dat ze mij, hun klant, ook bekeken en zodoende het juiste kapsel wisten te creëren. Dat was zo. De eerste keer. Mijn nieuwe kapsel zag er leuk verfrommeld uit. Niet helemaal conform mijn idee, maar mijn idee leek behoorlijk gedateerd. Het bedrag dat ik moest betalen leek mij eveneens wat gefrommeld maar niet helemaal ongepast, gezien de show die ik kreeg.

Vol vertrouwen ging ik opnieuw naar deze show om mijn haar te laten bijknippen, dat wil zeggen één centimeter er af. Een beeldschone jonge meid fladderde naar me toe. Papieren werden ingevuld en in een glanzend mapje gestopt (knippen is een serieuze zaak) en ik mocht aan de wasbak plaatsnemen. Ze ging iemand halen om mijn haren te wassen. „Ik zal het zelf doen”, zei ze even later, „er is niemand anders vrij”. Ik begon mij zorgen te maken of ze het wel kon. Ze was tenslotte een stylist, een hoger niveau dat zich niet inlaat met simpel haarwassen. Ze was geen assistent-stylist.

Ik had het idee dat ze m’n haar niet goed uitspoelde en dat heb ik nog zo geleerd van mijn moeder. Maar zij, de mooie slanke goudkleurige langbenige ster, alias kapster, zou het toch wel weten?

Ik mocht zitten op een veel te hoge stoel – mijn benen bungelden als van een klein, bedremmeld meisje. Mijn kapster danste om me heen en knipte. En knipte en knipte. En knipte en knipte. Ze keek alle kanten op, behalve naar mij. Eventjes sprak me stralend toe: „Wat heeft u mooi haar!” Nu wist ik zeker dat alles nep was, show, lucht, onecht, sprookje, fictie. Ik had geen mooi haar en nu had ik helemaal geen haar meer. Zwierig zwaaide mijn kapster met een spiegel om me heen. „Mooi!”, straalde ze. Mooi, knikte ik. Ik had hier niets te zeggen, ik was onderdeel van de grote show, het achtergrondkoortje, deel van de rekwisieten, één van het corps de ballet; geen smoel, geen eigen ik, geen individu.

Vijftig jaar geleden werd ik uitgelachen toen ik thuiskwam van de kapper en trots mijn krullen toonde. Nou ja. Slag. Zo heette dat toen. Vijftig jaar later hoop ik nog steeds op krullen. Uitgelachen word ik nu niet. Er wordt gefronst. Sadder and wiser weet ik nu dat ik op het ogenblik gewoon héél kort haar heb. Ik heb niets geleerd.

lezeres van nrc.next